Proloog

 

In Mythia staat iets te gebeuren. Het is nacht en bijna iedereen slaapt. In de gevangenis zit een oude man op de rand van een kaal houten bed. Hij staart kalm voor zich uit, zijn armen op zijn knieën. Door het kleine raampje met de tralies in de massief houten celdeur hoort hij de nachtwaker snurken. Het is het teken waar hij op heeft gewacht. Langzaam komt hij van zijn bed en loopt naar de deur. Zo dicht bij de deur klinkt het gesnurk van de wachter nog veel harder. De oude man schudt zijn hoofd. Wachters die tijdens diensturen in slaap vallen, dat zou vroeger toch niet gebeurd zijn, maar het komt hem goed uit. Heel goed zelfs. Hij legt zijn handen plat tegen de deur en sluit zijn ogen. Op zijn borst, net onder zijn kleding schijnt even een blauw licht en het slot van de celdeur klikt open. Voorzichtig duwt hij de deur open. De scharnieren piepen, maar het gesnurk blijft. Stilletjes stapt hij zijn cel uit.

 

 

Hoofdstuk 1

 

Klos rende door de grote hal van het paleis. Zijn dikke buik zwaaide van links naar rechts. Zweetdruppeltjes liepen langs zijn gezicht. In en rond het paleis was altijd veel werk te doen, en over een uur zouden de borden en glazen klingelen in de keuken voor het ontbijt, de tuinman met een gieter bezig zijn in het rozenperk in de enorme paleistuin en de schoonmaaksters met hun plumeaus het stof opvegen, maar nu nog niet. Nu was het nog stil.

“Stilte voor de storm,” dacht Klos bitter. Met twee treden tegelijk nam hij de grote trap naar de eerste verdieping. Daar draaide hij de gang in en liep door tot aan de laatste deur. Hijgend bleef hij staan. Rennen, rennen, en nog eens rennen. Het leek wel of hij de laatste tijd niet anders deed. ‘Assistent van de raadsman moet je worden,’ hadden zijn vrienden gezegd. ‘Een lekker rustig baantje.’ Rustig! Er was niks rustigs aan. Als hij dit geweten had, was hij gewoon bij zijn vader in de zaak gaan werken. Die was toch al teleurgesteld dat zijn zoon niet in de schoenmakerij wilde werken. Maar nee. Klos wilde hogerop. Meer bereiken dan zijn vader. Hij wilde aanzien. Hoe kon hij nou aanzien krijgen als schoenmaker? Nee, dan maar assistent van de raadsman. Het was alleen wel hard werken. Veel te hard.

Klos zuchtte diep, probeerde zijn ademhaling enigszins onder controle te krijgen, en klopte op de deur.

“Binnen!” klonk het vanuit de kamer.

Hij opende de deur en stapte naar binnen. Het grote raam aan de rechterzijde van de kamer gaf een prachtig uitzicht op Dorma en de bossen. Een groene deken van boomtoppen strekte zich uit tot aan de bergen die de grens markeerde tussen Mythia en het Woeste Land. Hoe vaak Klos ook in deze kamer kwam, hij probeerde altijd een glimp op te vangen van het uitzicht. Het liefst zou hij uren naar buiten staren. Hoe fijn zou het zijn als hij daar nu rond kon lopen? De frisse koele buitenlucht, nog vochtig van de ochtenddauw, rust en stilte op het getjilp van de vogeltjes na, geen mens om je heen. Zoals hij vaak met zijn vader had gedaan. Uren hadden ze vroeger gewandeld in de bossen en gevist in het riviertje dat langs hun huis liep. Dat waren nog eens tijden.

“Nieuws?” vroeg de man van wie de kamer was.

Met moeite lukte het Klos om zijn ogen los te rukken en ze op de kamer te richten. Tegen de linkerwand stond een boekenkast, gevuld met duizenden boeken. Hij vroeg zich, niet voor de eerste keer, af of iemand de boeken ooit had gelezen. De man in de kamer zeker niet, die had het nog drukker dan hij. Maar dat was niet meer dan normaal als je de raadsman van de koningin was.

Palin, de raadsman, zat in zijn stoel, zijn ellebogen op de leuning, zijn handen in een driehoek gevouwen voor zijn smalle gezicht. Zijn zwarte haar zat strak achterover gekamd. Bruine ogen, zo donker dat ze soms wel zwart leken, namen Klos op. Klos voelde zich ongemakkelijk onder deze blik en richtte zijn ogen op de enorme stapel papier die op het bureau van de raadsman lag. Rapporten uit alle delen van Mythia. De raadsman moest natuurlijk op de hoogte blijven. Daar was de raadsman voor. Hij moest alleen het belangrijkste met de koningin bespreken en haar adviseren wat te doen. De rest mocht Klos oplossen. Als er een nieuwe waterput aangelegd moest worden of als er bos gekapt moest worden om huizen te bouwen. Het was makkelijk werk, maar toch was hij constant op pad. Het begon hem alleen wel te vervelen. Misschien zou hij ooit nog belangrijkere zaken mogen behandelen, maar voorlopig zat het er niet in. Palin gaf alleen de meest simpele zaken uit handen. Hoe kon hij zich dan bewijzen? Nou ja. Vandaag had hij een belangrijke taak gekregen en het was niet helemaal goed gelopen. Eigenlijk helemaal niet. En nu mocht hij dat vertellen. En als de raadsman ergens niet van hield, dan was het slecht nieuws.

“Zacharias is ontsnapt, heer,” zei Klos en kneep zijn ogen half dicht in afwachting van de uitbarsting die zou volgen, maar wat volgde was stilte. Voorzichtig waagde hij een blik op het gezicht van de raadsman.

“En ik neem aan dat de nodige actie is ondernomen?” vroeg de raadsman kalm.

Klos’ keel voelde aan als perkament. Een uitbrander zou minder erg zijn dan die beheerste stem.

“Natuurlijk heer, momenteel wordt hij opgejaagd door de beste wachters in Mythia.”

“Als Zacharias niet gevonden wordt gaan er koppen rollen, dat begrijp je toch?”

Natuurlijk begreep Klos dat. Hij knikte heftig.

“Zorg dat het in orde komt,” zei de raadsman en wuifde Klos weg. Met kleine buigingen liep Klos achteruit de kamer uit. In de hal zette hij zijn gewichtige lijf weer in beweging. Hij rende de gang door, de trap af en de hal in. Vanuit de hal verliet hij door de hoofdpoort het paleis. Het wachtershuis zat naast de ingang van het paleis en hij liep naar binnen. Vier wachters die aan een sobere houten tafel zaten sprongen op en salueerden.

“En?” vroeg Klos.

“We zijn hem kwijtgeraakt,” zei één van de wachters, “we hebben met z’n twintigen de bossen achter het paleis uitgekamd, maar hij is weg.”

“En zijn dat de enige plekken waar hij zich kan verstoppen?”

De wachter die had gesproken keek voor steun naar de anderen die ineens iets heel interessants op de grond schenen te zien, “uuhhh... nee?”

“Wat doen jullie hier dan nog? Ga hem zoeken!” riep Klos.

De vier wachters sprongen op en lieten hem alleen achter. Met een zucht pakte Klos een stoel en ging aan de tafel zitten. Als ze Zacharias niet zouden vinden zouden er koppen rollen. Waarschijnlijk zijn kop als eerste. Hij wreef met zijn handen over zijn gezicht en bedacht voor de zoveelste keer hoe lekker rustig het was in de schoenmakerij van zijn vader.

 

 

Hoofdstuk 2

 

Sergeant Tores baggerde door de zompige grond. De zon kwam maar net door de dichtbegroeide kruinen en wierp vreemde schaduwen op de grond. Met zijn zwaard sloeg hij naar takken die hem de weg versperden. Het was meer regel dan uitzondering: alle gevangenen die ontsnapten, vluchtten het bos in. De sukkels. Alsof ze in het bos niet gevonden werden door de koninklijke wacht. In de tijd dat hij nog een simpele wachter was, had hij zo vaak in de bossen achter gevangenen aangezeten dat hij altijd precies wist waar hij was in het bos en hoe hij terug moest komen naar het paleis, en dat gold voor alle wachters. Dat konden de gevangenen, die uit alle delen van Mythia kwamen en het bos niet op hun duimpje kenden, niet zeggen. Die waren meestal na het passeren van de eerste drie bomen al verdwaald. Toch viel het lopen in de bossen hem vandaag zwaar. Het was een tijd geleden dat hij op speurtocht was geweest. Als je eenmaal sergeant was, ging je niet meer de bossen in, maar gaf je de wachters orders en mochten zij de vieze klusjes opknappen. Tot vandaag dan. Vandaag had hij zelf orders gekregen om met zijn wachters mee te gaan. Dat was niet zo vreemd. De ontsnapte gevangene was de grootste misdadiger die Mythia ooit had gekend. Tores vermoedde dat als ze de ontsnapte gevangene niet zouden vinden, de raadsman zeer teleurgesteld zou zijn. En als de raadsman teleurgesteld was, moest er altijd iemand voor boeten. Nee, het leven van een wachter was niet zo simpel meer sinds Palin raadsman was geworden. Volledige inzet en geen fouten. Minder accepteerde hij niet. Het was Palin’s manier van leiding geven. Niet dat Tores het ermee eens was. Helemaal niet zelfs. Maar wat kon je eraan doen? Je baan opzeggen? Lid zijn van de koninklijke wacht was geen baan. Het was zijn leven.

Tores bleef even staan en veegde slierten van zijn donkere haar uit zijn gezicht. Zijn ogen vielen op zijn modderige laarzen, die hij die ochtend netjes had gepoetst. Zonde van de twintig minuten die hij daaraan had besteed. Om hem heen hoorde hij de verschillende wachters lopen. Het geluid van krakende takken en af en toe de klap van een zwaard tegen een weerbarstige tak, galmde tussen de bomen door. Tores zuchtte en schudde zijn hoofd. Een kudde op hol geslagen stieren maakte minder lawaai. Als ze terug waren in het paleis moest hij zijn mannen maar eens een paar lessen ‘hoe besluip ik ongemerkt een verdachte’ geven.

“Heeft iemand al iets gevonden?” riep hij.

“Nee sergeant!” klonk het van dichtbij.

Tores wreef eens over zijn kin. Zacharias was een oude man en niet gewend in de bossen te lopen. Ze hadden hem al moeten vinden, of zou Zacharias toch tussen zijn mannen door kunnen zijn geglipt? Nee, dat was onmogelijk. De wachters waren misschien luidruchtig, maar zeker niet slecht. Zacharias kon alleen maar vooruit, niet terug. Een vreemd schijnsel tussen de bomen voor hem verstoorde zijn gedachten. Hij tuurde tussen de takken en struiken door, kon niet goed zien wat het was en besloot erop af te gaan. Ongeveer tegelijk met drie van zijn mannen stopte hij aan de rand van een grote open plek. Ze hadden Zacharias gevonden, maar dit was niet wat hij had verwacht. In het midden van de open plek stond Zacharias, fel blauw licht straalde van zijn lichaam. Zo fel dat alleen zijn silhouet nog te zien was. Tores gaf zichzelf geen tijd zich erover te verbazen.

“Dat is Zacharias mannen! Grijp hem!” riep hij.

Op zijn bevel stormden de drie wachters zonder aarzelen op het felle licht af, de armen gestrekt, met het doel hem zo snel mogelijk tegen de grond te werken. Ineens was het licht weg. Met een doffe klap botsten de mannen tegen elkaar en landden hard op de grond waar ze kreunend bleven liggen. Sergeant Tores bekeek de wirwar van armen en benen. De andere wachters, ondertussen bij hun gevallen kameraden aangekomen, hielpen hen overeind en begonnen de omgeving af te speuren naar een teken van Zacharias. Ze vonden niets. Sergeant Tores staarde in stilte voor zich uit. Er was iets heel vreemds aan de hand. Mensen verdwenen niet zomaar in een fel licht.

“Wat nu sergeant?” vroeg één van de wachters, maar Tores hoorde de vraag niet eens. Zijn gedachten waren bij raadsman Palin en bij de vraag hoe hij dit in hemelsnaam uit moest leggen.

 

 

Hoofdstuk 3

 

“David! Sta je op? Je moet naar school.”

David hoorde zijn moeder roepen en sloeg zijn dekens terug. Het laatste waar hij vandaag zin in had was school. Het laatste waar hij ooit zin in had was school. Zonder moeite kon hij een lijst van honderd dingen maken die hij liever zou doen dan naar school gaan, maar het zat er niet in dat hij één van die honderd dingen vandaag zou gaan doen. Met een diepe zucht stapte hij zijn bed uit en liep naar de badkamer. Hangend boven de wastafel ving hij met twee handen het water op uit de lopende kraan en gooide het in zijn gezicht en over zijn haar. Het koude water deed hem rillen en spoelde de laatste slaperigheid weg. David keek naar zijn natte gezicht in de spiegel. Misschien zou het vandaag wel goed gaan? Misschien lieten ze hem vandaag wel met rust? Ach, natuurlijk niet. Hij kon net zo goed vragen of olifanten vandaag zouden leren vliegen. Zou het leven niet veel makkelijker zijn als ze hem gewoon met rust lieten? Niet meer leven met dat nerveuze gevoel? Niet meer uitgelachen worden? Wat een feest zou dat zijn. Nou ja, dromen mocht. David droogde zijn gezicht af en haalde een kam door zijn donkere haar. Eenmaal terug in zijn slaapkamer kleedde hij zich aan, pakte de boeken in zijn schooltas en liep de trap af naar de keuken.

“Nou, nou wat een gezicht,” zei zijn moeder terwijl hij aan de keukentafel ging zitten. David reageerde niet en dronk van de jus die ze voor hem had neergezet. Dertien jaar was hij, maar hij was gestopt met groeien rond zijn negende. Dat was op zich nog niet zo erg, maar mensen dachten ook dat hij negen was. Op de lagere school maakte het niet veel uit. Daar had hij zoveel vrienden, maar die waren allemaal naar andere middelbare scholen gegaan en het lukte hem op zijn eigen school niet om nieuwe vrienden te maken. De meeste lieten hem links liggen, alsof hij een enge ziekte had, en eigenlijk vond hij dat wel prima. Het waren die paar jongens die hem niet met rust lieten die zijn leven in de brugklas tot een hel maakten. In zijn hoofd bereidde hij zich voor op de dag. Hij had alle opmerkingen al een keer gehoord.

“Hé ukkie, is het koud daarbeneden?”

“Is alles aan jou zo klein?”

“Kijk! Daar loopt een tas met een jongetje op zijn rug!”

En zo kon hij nog wel even doorgaan. De idioot die had verzonnen dat schelden geen pijn deed had het heel erg mis. Had hij maar het lef om er tegenin te gaan, maar daarvoor was hij te klein en de anderen te groot. Zijn ouders hadden ook geen idee dat hij op school gepest werd. Als hij het zou vertellen zou zijn moeder meteen richting rector trekken om alles even recht te zetten. Hij wilde er niet eens over nadenken hoe veel erger het pesten zou worden, als zijn plaaggeesten er door de rector op aangesproken werden. Hoe vaak droomde hij de laatste tijd niet dat hij groter en sterker was, dat hij niet meer bang hoefde te zijn voor de jongens uit zijn klas? Vlak voor het slapen gaan, stelde hij zich wel eens voor hoe het zou zijn als hij terug zou vechten. Als hij de eerste jongen die hem die dag pestte tegen de grond zou worstelen en zoveel pijn zou doen, dat niemand hem ooit meer lastig viel. Maar dat was ’s avonds. Als de ochtend kwam, waren zijn angsten weer terug en wist hij dat hij die dag niet terug zou vechten en zonder weerwoord alle opmerkingen moest aanhoren. Nee, het leven op school was geen feest. David nam nog een laatste hap en dronk zijn glas leeg. Eén dag zonder pesten, dat was toch niet teveel gevraagd?

De klok gaf half 8 aan. Tijd om te gaan. Hij zwaaide zijn schooltas op zijn rug en zei zijn moeder gedag. Buiten was het heerlijk en de wandeling door de warme zomerzon verbeterde zijn stemming aanzienlijk. In de tram zocht hij een leeg bankje achterin waar hij ging zitten. Misschien was iedereen vandaag wat vrolijker door het mooie weer? Tegen beter weten in hoopte hij dat het een leuke dag zou worden.

Een plotseling remmen van de tram en een bonk deden hem opschrikken uit het schoolboek dat open op zijn knieën lag. De tram stond stil. Aan de voorkant hoorde hij mensen nerveus praten. Hun stemmen onduidelijk op een enkel verstaanbaar woord na.

“…ineens…”

“Liep zomaar voor….”

“Liep? Verscheen bedoel je!”

Nieuwsgierig liep David naar voren en stapte door de openstaande voordeuren uit. Een grote groep mensen had zich al verzameld rond de voorkant van de tram. David probeerde te zien wat er aan de hand was, maar zelfs op zijn tenen kon hij niet over de mensen heen kijken, dus wurmde hij zichzelf tussen de mensen door tot hij vooraan stond. Eén van de weinige voordelen van klein zijn: volwassenen letten nooit op hem. Voor de tram lag een man in een witte jurk. Een oude man, met lang wit haar en een witte baard. Hij leek op zo’n Griekse filosoof. Plato of Socrates. Op het eerste gezicht mankeerde hij niks, behalve dat zijn benen geschaafd waren en zijn jurk vies en gescheurd. De oude man staarde verwilderd in het rond, naar de mensen, de huizen en de voorkant van de tram. Hij leek totaal de weg kwijt te zijn, totdat zijn ogen David vonden. De verwarde blik was op slag verdwenen. Alsof hij ineens wist waar hij was. Alsof hij David herkende.

“Jij!” sprak de man met een schorre stem. Zijn hand kwam omhoog en wenkte naar David.

David keek om zich heen of de man misschien iemand anders bedoelde. Hij moest iemand anders bedoelen. Hij kende de man niet, dus kon de man hem ook niet kennen. De man duwde zich moeizaam op één arm omhoog. Hij mompelde zachtjes en wenkte weer. Hij was duidelijk erg in de war als hij dacht dat David een bekende was, maar hoe gevaarlijk kon een oude man zijn? David deed een paar stappen naar voren en zakte op zijn knieën.

“Wat zei u?” vroeg David en hield zijn hoofd wat dichterbij om beter te kunnen horen.

“Neem dit,” fluisterde de man, “neem dit en help Mythia.”

In zijn hand hield de oude man een ketting. David twijfelde. Kon hij de ketting wel aannemen? Maakte hij dan geen misbruik van de situatie?

“Help Mythia,” zei de man weer. De wanhoop was op zijn gezicht af te lezen, maar tegelijkertijd had zijn stem iets dwingends. David pakte de ketting. Vermoeid van de inspanning zakte de man terug op de grond. Zijn ogen vielen langzaam dicht. Dat was niet goed. David had de ketting, maar wist niet wat hij ermee moest doen.

“Wie is Mythia en waar kan ik haar vinden?” vroeg hij.

De oude man reageerde niet. David schudde hem zachtjes heen en weer.

“Wie is Mythia meneer? Ik kan haar niet helpen als ik niet in ieder geval weet waar ze is.”

De man opende zijn ogen half en zei zachtjes, “het licht zal je leiden.” Hierna zakten zijn ogen dicht en kreeg David, wat hij ook probeerde, geen reactie meer uit de man.

In de verte klonk het geluid van een ambulance dat steeds luider werd en uiteindelijk stopte. Achter hem begon de menigte te wijken en David werd ruw opzij geduwd door twee verplegers, die de bewusteloze man op een brancard legden en hem naar de ambulance droegen. David wachtte totdat de ambulance weg was en stapte de tram weer in. Op het bankje achter in de tram hield hij de ketting omhoog, hij glinsterde in het zonlicht. Aan de gouden ketting hing een ronde gouden munt. De ene kant van de munt toonde een draak, de andere kant een kasteel. Zo op het eerste oog niets bijzonders. Terwijl hij naar de ketting staarde, vroeg David zich ernstig af wie Mythia was en waar het licht vandaan zou komen dat hem ging leiden.

 

 

Hoofdstuk 4

 

Sergeant Tores stond in de houding in de kamer op de eerste verdieping van het paleis. De bossen waren smerig, maar hij was toch duizend keer liever in het bos dan in de kamer waar hij nu stond. Klos stond vlak achter hem. Raadsman Palin zat achter zijn bureau. In de kamer kon je een speld horen vallen. Tores had net de gebeurtenissen verteld die leidden tot de ontsnapping van Zacharias. Palin staarde uit het raam en sprak op een zeer beheerste toon die Tores een koude rilling bezorgde.

“Wat u me komt vertellen, sergeant, is dat Zacharias is ontsnapt.” Het was geen vraag, maar meer een opmerking en Tores reageerde niet.

“Twintig van uw beste wachters konden hem niet te pakken krijgen. Zou dat misschien betekenen dat u niet helemaal geschikt bent voor de positie van sergeant?”

“Zolang mensen in een flits van licht verdwijnen weet ik niet wie er wel geschikt zou zijn voor de positie van sergeant, heer,” zei Sergeant Tores met een ijzige klank in zijn stem, terwijl hij naar een punt op de muur boven Palin’s hoofd bleef kijken. Hij werd niet graag beschuldigd van een slechte uitvoering van zijn functie.

“Ik geloof niet dat u in de gaten heeft hoe gevaarlijk Zacharias is voor het voortbestaan van Mythia. Vanaf dit moment bent u ontheven van uw taak.”

Tores’ mond viel open en hij richtte zijn ogen op de raadsman, “ontheven?”

Palin knikte naar Klos, die de kamerdeur opende. Twee wachters kwamen de kamer in.

“Het is mijn mening dat de sergeant schuldig is aan verraad van Mythia,” sprak Palin, “sluit hem op.”

Sergeant Tores voelde een enorme woede opkomen. “Het is mijn mening dat de raadsman geen idee heeft waar hij mee bezig is!” riep hij kwaad.

“Als ik u was zou ik wat voorzichtiger mijn woorden kiezen. Uw positie is al zeer benard,” zei Palin kalm.

“Mijn mannen en ik hebben onze taak goed uitgevoerd en ik weet zeker dat de koningin dit ook zo zal zien.” Tores keek de raadsman recht in zijn ogen terwijl hij sprak, maar zag niets waaruit bleek dat hij zich zorgen maakte over een eventuele uitspraak van de koningin.

“We zullen zien,” zei Palin, “in afwachting van haar oordeel zult u in de gevangenis verblijven.”

Sergeant Tores rechtte zijn rug en liet zich meevoeren door de wachters.

 

Klos bleef achter in de kamer.

“En ik neem aan dat niemand weet waar Zacharias zich momenteel bevindt?” vroeg Palin.

“Nee heer.”

“Ik wil dat alle wachters van Mythia op zoek gaan naar Zacharias. Hij moet gevonden worden. Regel het.”

Bezorgd spoedde Klos zich door het paleis. Hij kende sergeant Tores goed genoeg om te weten dat deze zijn werk serieus nam en dat er niemand in Mythia was die het beter had kunnen doen. Als Tores Zacharias al niet kon vangen, hoe moest hij het dan voor elkaar krijgen? Straks belandde hij zelf nog in de gevangenis. Een goed plan, dat had hij nodig. Hij ging nog wat sneller lopen. Er moest een hoop geregeld worden.

 

 

Hoofdstuk 5

 

De dag kroop voorbij. David zat achter zijn bureau in het klaslokaal. De ketting zwaaide tussen zijn vingers heen en weer. “Neem deze ketting en help Mythia,” had de man gezegd. Hij had geen idee hoe de ketting hem zou moeten helpen, of hoe hij erachter moest komen wie Mythia was. Misschien wist Mythia dat hij de ketting had en zou ze vanzelf naar hem toekomen? En dan nog belangrijker: wat moest hij precies doen? En wat had het licht dat hem zou leiden ermee te maken? Zoveel vragen en geen enkel antwoord.

“En welk klimaat is dit? David?”

Het besef dat de leraar het tegen hem had haalde David ruw uit zijn gedachten.

“Wat?” vroeg hij.

“Dit klimaat, hoe heet dit klimaat?” de leraar wees naar de letter op het bord.

“Geen idee,” zei David.

De leraar zuchtte en gaf iemand anders de beurt, terwijl hij een aantekening maakte in een schrift op zijn bureau. Het was niet verstandig dat hij zo met de ketting bezig was. David nam zich voor de rest van de les op te letten. Hij hing de ketting om zijn nek. Zo kon hij hem in ieder geval niet verliezen.

In de pauze zocht David een bankje op het schoolplein op. Door het warme weer was bijna iedereen in de school buiten, dus had hij geluk dat hij er nog één vond. Voor hem waren jongens uit de hogere klassen een frisbee aan het rondgooien. Hij volgde het rondzwevende schijfje terwijl hij zijn brood at.

“Zo ukkie, lekker aan het eten?”

Bart, de grootste pestkop uit zijn klas, stond achter hem met een brede grijns op zijn gezicht. De groep vrienden waar hij altijd mee optrok lachte smakelijk om de opmerking van hun populaire vriend. Bart leunde met zijn handen op de rugleuning van het bankje. De lunchbox met zijn brood lag naast David op het bankje. David schatte zijn kansen in dat hij de lunchbox eerder te pakken zou hebben dan Bart. Die waren niet hoog, maar hij kon het beter wel proberen. Zijn hand schoot naar de lunchbox. Bart was sneller. De lunchbox verdween in de handen van Bart, die naar achteren stapte en hem begon open te maken.

“Eens kijken wat de mammie van ukkie vandaag op zijn bammies heeft gedaan.”

David sprong van de bank en liep op Bart af.

“Geef hem terug!” David graaide naar de lunchbox. Bart ontweek hem lachend en gooide de doos naar één van zijn vrienden. Het spel was begonnen. Het spel waarin David probeerde zijn lunch terug te krijgen en de groep de lunchbox lachend van de een naar de ander gooide. Eigenlijk zou hij zich niet zo moeten laten kennen. Het was maar een lunchbox, maar als hij hem niet terugkreeg zou hij aan zijn moeder moeten vertellen wat er gebeurd was, of zou hij tegen haar moeten liegen, en daar had hij helemaal geen zin in. Als hij het spel meespeelde zou hij hem vanzelf terugkrijgen. Het overgooien zou de jongens gaan vervelen en dan kon hij zijn lunchbox weer uit één van de vuilnisbakken op het schoolplein vissen. Het was een bijna dagelijks terugkerend ritueel, waar hij mee had leren leven. In het begin verstopte David de lunchbox nog wel eens in zijn tas, maar dan pakte ze gewoon de hele tas en schopte het ding het schoolplein over. Nadat hij voor zijn ouders een verhaal had moeten verzinnen waarom zijn tas gescheurd was en zijn boeken kapot waren, had hij maar besloten de lunchbox altijd in het zicht te laten. Zo hadden Bart en zijn vrienden hun pleziertje en liep hij niet het risico dat zijn andere spullen kapot gingen.

De lunchbox vloog van hand naar hand. In de drukte merkte David niet dat de munt aan de ketting langzaam begon te trillen op zijn huid.

 

John, één van de jongens die met de frisbee aan het spelen was, stopte in het midden van zijn gooi en keek op. Met een glazige blik in zijn ogen liet hij de frisbee uit zijn handen vallen, draaide zich om en begon richting het bankje te lopen waar David nog steeds probeerde om zijn lunchbox terug te krijgen. John’s vrienden riepen hem verwonderd na. Hij hoorde het niet.

 

Rond het bankje stond al een grote groep leerlingen naar het spektakel te kijken. Bart ving de lunchbox die hem werd toegeworpen en hield hem pesterig voor David’s gezicht. David deed nog een wanhopige poging om zijn lunch terug te krijgen, maar in een vloeiende beweging ging de arm van Bart omhoog en David greep hopeloos naast. Hij was gewoon niet groot genoeg om het ding te bereiken. Bart lachte. Ondanks dat dit dagelijks gebeurde, prikten de tranen achter zijn oogleden. David schaamde zich. Hij had het gevoel dat alle ogen op het schoolplein op hem gericht waren. Dat iedereen hem uitlachte. Waarom lieten ze hem niet met rust? Hij mocht niet gaan huilen. Hij had nog nooit gehuild, wat ze ook zeiden of deden, als ze hem zouden zien huilen was het hek van de dam. Dan zouden ze hem iedere dag net zo lang treiteren totdat de tranen over zijn wangen stroomden. Hij mocht niet huilen, maar dit keer was hij heel dichtbij. Nog even en de eerste traan zou uit zijn vochtige ogen rollen. Hij voelde het. Nog even en zijn leven op school zou echt een hel worden.

Als uit het niets verscheen John achter Bart en trok met een ruk de lunchbox uit zijn handen. Verbaasd draaide Bart zich om en staarde naar de veel oudere en veel grotere jongen. De pesterige glimlach zakte van zijn gezicht.

“Hé ukkie? Waar zijn wij mee bezig?” vroeg John aan Bart.

Bart kon geen woord uitbrengen. John pakte Bart met twee handen bij zijn shirt en trok hem langzaam naar zich toe.

“Vanaf nu zijn dit soort geintjes afgelopen. Als ik het nog een keer merk zal ik er persoonlijk voor zorgen, dat je het nooit meer doet,” sprak hij zachtjes.

Bart trok wit weg. John duwde Bart van zich af, die bijna over zijn eigen benen struikelde. David hoopte dat Bart onderuit zou gaan, maar op het laatste moment wist hij zijn evenwicht te bewaren. Razendsnel draaide Bart zich om en maakte dat hij wegkwam, gevolgd door zijn laffe vrienden. Zonder verder een woord te zeggen gaf John de lunchbox aan David en liep weer terug naar zijn vrienden. De bel ging. De pauze was voorbij. Er was geen traan over zijn wang gelopen. Wat een geluk. David stopte de lunchbox in zijn tas en vroeg zich af waarom John het voor hem had opgenomen. Dat had nog nooit iemand gedaan.

 

“Wat deed jij nou?” vroeg één van de vrienden van John. John’s ogen waren weer helemaal normaal.

“Hoe bedoel je?”

“Waarom hielp je dat joch?”

“Welk joch?”

“Die jongen met die lunchdoos!”

“Waar heb je het over man?” riep John kwaad en liep terug naar de school.

Achter hem tikte de jongen op zijn voorhoofd terwijl hij naar John wees en de rest barstte in lachen uit.

 

David had de rest van de dag van niemand meer last. Door het akkefietje met John hadden de pestkoppen in ieder geval die dag geen zin meer in pesten. Hij ging ‘s middags naar huis, at, keek TV en ging vroeg zijn bed in. Het was een aparte dag geweest en hij was moe. De ketting hing nog om zijn nek. Hij had hem niet afgedaan. Wilde hem niet afdoen. Het leek alsof hij zich door de ketting beter voelde. In zijn bed mijmerde hij nog over John en de reden waarom John hem geholpen had, maar kon niets zinnigs bedenken. Een uur later was David diep in slaap. Hij merkte niet dat de ketting om zijn nek langzaam begon te gloeien. Een blauw licht, dat sterker en sterker werd, vulde zijn kamer. Een man die buiten zijn hond aan het uitlaten was staarde met open mond naar het huis van David. Blauw licht kwam door alle ramen en kieren van het huis naar buiten. Tranen stroomden over het gezicht van de man en ineens was het licht weg. De man vroeg zich even af waarom zijn gezicht nat was, veegde het daarna met de mouw van zijn jas droog en liep door alsof er niets was gebeurd.

 

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |