Hoofdstuk 11

 

Laika’s vader ging op zijn troon zitten, schraapte zijn keel en begon te vertellen.

“Toen ik net zo oud was als jij, verlieten wij altijd het dorp om de bossen te onderzoeken. We leefden meer in het bos dan onder de grond. De kinderen speelden buiten. De ouderen zochten naar voedsel, genoten van de buitenlucht of spraken met de dieren. Het was een mooie tijd, totdat aan de rand van het bos mensen kwamen wonen. Bomen werden gekapt om er huizen van te bouwen. Het vrijgekomen land werd volgebouwd en gebruikt voor vee. Veel dieren verloren hierdoor hun woonplaats en kwamen er bij ons over klagen, maar er was niets tegen te doen. Omdat ons dorp dieper in het bos lag, hadden wij weinig last van de mensen. Tenminste, dat dachten we. Op een dag was er grote paniek. Een van de werkers was ’s ochtends het bos ingegaan en niet meer teruggekomen. Dat was vreemd. We wisten dat je als elf in het bos weinig te vrezen had. Iedereen hielp mee in de zoektocht naar de verdwenen elf, zelfs de dieren, maar hij was nergens te vinden. Mijn vader werd ongerust en verbood iedereen naar buiten te gaan, totdat bekend was wat er met de verdwenen elf was gebeurd. Je denkt dat ik je niet begrijp. Ik begrijp je heel goed. Ik begrijp dat de drang om naar buiten te gaan heel groot is. Het zit in onze genen. Elven zijn gemaakt om buiten te leven waar het licht is en niet om hun hele leven in een donker hol onder de grond door te brengen. Ik was toen precies zoals jij nu bent. Na twee weken alleen maar binnen zitten werd ik onrustig. Ik miste de bossen en de buitenlucht. Wilde lekker vliegen en mijn vleugels strekken. Tegen de wil van mijn vader sloop ik naar buiten. Wat kon er nou gebeuren? Ik kende de bossen zo goed. Ik genoot van het buiten zijn. Slalomde tussen de bomen door, de frisse wind deed me goed. Later bedacht ik me dat het eigenlijk te rustig was in het bos. Geen enkel dier kwam ik tegen. Ik merkte het niet. Dacht er verder niet over na. Het buiten zijn was het allerbelangrijkste. Ik zag het vangnet niet eens aankomen.

“Zie je, ik zei toch dat er nog meer elfen in het bos zaten,” hoorde ik de man zeggen die mij gevangen had. Op dat moment snapte ik pas waarom ik geen dieren was tegengekomen.

De mannen namen me mee naar het mensendorp en stopten me in een ijzeren kooi. Ik probeerde met de mannen te praten, smeekte ze om me vrij te laten, maar ze wilden niet luisteren. Ze sloegen tegen de kooi en riepen dat ik mijn mond moest houden. Ik was vreselijk bang en wist niet wat er met me zou gaan gebeuren. Die nacht kon ik niet slapen. Mijn gedachten hielden mij wakker. Waarom was ik niet gewoon in het elvendorp gebleven? Mijn vader had me nog zo gewaarschuwd. Waarom had ik niet beter opgelet? Ik voelde me zo dom. De volgende ochtend werd ik door een van de mannen meegenomen naar een enorme marktplaats. Hij bleef in het midden van de marktplaats staan en hield mijn kooi boven zijn hoofd.

“Dames en heren. Vandaag hebben wij weer iets bijzonders te koop. Een elf. De hoogste bieder mag hem meenemen.”

De mensen stroomden toe om naar mij te kijken. Ik voelde me machteloos. Honderden ogen keken naar me. Keken alsof ik een bijzonder sieraad was in plaats van een levend wezen. Ik wilde weg. Weer vrij zijn.

“We beginnen het bieden bij 100 Gyra,” riep de man die mij vasthield.

De mensen begonnen tegen elkaar op te bieden. Steeds hoger werd het bedrag en steeds minder mensen bleven over, totdat er nog maar twee mannen aan het bieden waren. Eén van de bieders, een grote man, met een ruwe baard en een gemene grijns op zijn gezicht bood 1000 Gyra. Ik hoorde hem tegen de vrouw die naast hem stond zeggen, dat hij wist dat elfen wensen vervulden. Mijn hart sloeg een paar slagen over. Als mensen dachten dat elven wensen in vervulling konden laten gaan, wat zou deze man met mij doen, als hij erachter kwam dat ik helemaal geen wensen kon vervullen? De hebzuchtige blik in zijn ogen zei me dat hij het nooit zou begrijpen. Misschien zou hij me zelfs niet geloven. En dan? Ik hoopte vurig dat er nog een hoger bod zou komen. Een bod van iemand die mij niet zou kopen om zijn wensen in vervulling te laten gaan, maar niemand bood meer. 1000 Gyra was duidelijk een heel erg hoog bedrag.

“Eenmaal, andermaal…”.

Ik verloor de moed. Het was zeker dat er geen ander bod meer zou komen en de man met de gemene grijns keek triomfantelijk om zich heen.

“1500 Gyra!”

Een rilling ging door de menigte. Vanuit mijn kooi probeerde ik te zien wie het enorme bedrag geboden had. Een man in een wit gewaad kwam tussen de mensen door naar voren. Zijn haar was spierwit, waardoor het leek alsof hij al oud was. Van dichtbij bleek dat hij, net als ik, nog maar net volwassen was.

“1500 Gyra,” zei hij nogmaals, “ik bied 1500 Gyra.”

“1500 Gyra. Eenmaal, andermaal, verkocht!”

Een hoop geld wisselde van hand en de man met het spierwitte haar nam mijn kooi aan. Ik keek naar zijn gezicht, hij keek niet terug. Hij zag er vriendelijk uit, maar ik had weinig hoop. Ik was toch een gevangene. Mijn vrijheid was weg. Nooit meer vliegen in de bossen of praten met dieren. Hij nam me mee. Halverwege de marktplaats werd hij tegengehouden door de man die 1000 Gyra had geboden.

“Die elf is van mij!” riep hij boos.

Mijn koper was een stuk kleiner dan de andere man, maar bleef rustig staan. Hij reikte met zijn hand naar zijn hals en trok een ketting te voorschijn. Zijn hand omsloot de munt die aan de ketting hing.

“De elf is van mij, ik heb hem eerlijk gekocht. Heeft u daar een probleem mee?” vroeg hij en daarna gebeurde er iets vreemds.

De gemene grijns zakte van zijn gezicht en hij staarde met een lege blik naar mijn koper, “nee heer, geen probleem.” Het leek alsof iemand anders de woorden door zijn mond sprak.

“Goed zo,” zei mijn koper en liep de markt af.

De man nam mij mee tot aan de rand van het bos, ging op een boomstronk zitten en zette mijn kooi naast hem neer. Ik had besloten geen woord meer te zeggen. Als hij ging vragen om zijn wensen in vervulling te brengen, zou ik net doen of ik hem niet verstond. Ik weet niet meer precies wat ik verder van hem verwachtte, maar hij verbaasde me. Hij opende de kooi en begon tegen me te praten. Ik was zo verbaasd dat ik niet eens probeerde weg te vliegen. Ik luisterde, maar was voorzichtig en vertelde hem niets. Het kon zijn dat hij alleen maar uit was op meer geld door het elfendorp te vinden. Hij vroeg er niet eens naar. Ons gesprek was kort, maar ik herinner me zijn laatste woorden nog goed. “Er komt ooit een moment dat ik jouw hulp nodig heb,” zei hij tegen me en ik antwoordde dat ik alles zou doen om te helpen. Hij vertelde me zijn naam, Zacharias, daarna liet hij me gaan. Ik vloog terug naar het elvendorp. Mijn vader was dolgelukkig me weer te zien. Hij had die nacht doodsangsten uitgestaan. Binnen een paar minuten wist iedereen in het dorp wat er gebeurd was en durfde niemand meer naar buiten. Bang om gepakt te worden door de mensen. De verdwenen elf is nooit meer teruggezien.

Laika had aandachtig naar het verhaal geluisterd en begreep eindelijk waarom haar vader zo boos werd als zij alleen het bos inging.

“De ketting die jij gezien hebt is dezelfde die Zacharias die dag om had, en als hij hem zelf niet meer draagt kan ik niet anders dan concluderen dat er iets mis is. Ik wil dat je de jongen vindt, je hoeft niets te doen, maar kijk of je erachter kunt komen wat er gebeurd is en hoe hij aan de ketting is gekomen. Als je wilt kan ik iemand met je meesturen.”

Laika schudde haar hoofd. Alleen zou ze sneller zijn en minder opvallen. Haar vader begreep het.

Laika verliet het dorp nadat het donker was geworden. ‘s Nachts zou ze niet snel gezien worden. Ze vloog in de richting waarin ze de jongen had zien vertrekken en passeerde de oude boom. De buitenlucht deed haar goed. Ondanks de gevaren was ze opgewonden, had ze zin in een avontuur. Ze had nog nooit iets beleefd in haar leven. Nu ging het er eindelijk van komen. In haar opwinding zag ze de twee gele ogen die haar vanaf de bovenste tak van de oude boom nakeken niet. Oeroe strekte zijn vleugels, liet zich uit de boom vallen en zweefde op de wind achter Laika aan.

 

 

Hoofdstuk 12

 

“Vrouw! Ik heb de dief gevangen!”

Het gordijn van de ruimte met het bed werd opzij geschoven en een mollige vrouw kwam naar buiten. Haar grijze haar was opgestoken in een knot. Een rode gloed kleurde haar ronde wangen. Ze had een jurk aan van jute, dezelfde kleur als de overal van haar man. Haar mollige armen staken uit de mouwen en in tegenstelling tot de grijnzende oude man met de kruisboog zag ze er heel aardig uit. Ze keek naar David’s angstige gezicht en trok haar wenkbrauwen op.

“Doe die kruisboog weg Janos, het is maar een jongen.”

“Maar Hertha?”

“Ja, ja, hij ziet er vreselijk gevaarlijk uit,” zei de vrouw glimlachend, “echt een boeventronie.”

Janos, duidelijk gepikeerd omdat zijn vrouw hem in de maling nam, liet de kruisboog zakken.

Hertha bekeek David eens goed.

“Wat doe je hier jongen?”

“Ik rook vers brood, mevrouw, en ik heb al een tijd niet gegeten.”

“Dat komt goed uit, we gingen net eten,” zei Hertha lachend.

“Maar...,” begon Janos. De blik van zijn vrouw deed hem de rest van zijn zin inslikken.

“Ga maar zitten,” zei Hertha en ze wees naar één van de stoelen om de tafel.

David nam nog geen plaats. Het leek hem verstandiger om ook van Janos toestemming te krijgen. Hij was tenslotte degene met de kruisboog in zijn handen.

“Maakt niet uit waar,” zei Janos.

David ging zitten. Janos ging tegenover hem zitten en zette de kruisboog demonstratief tegen de zijkant van zijn stoel. Hij was er duidelijk nog niet van overtuigd dat David niet gevaarlijk was. Hertha kwam snel terug en even later genoot David van een warm stuk brood met een beker melk.

“En vertel ons nu eerst maar eens wat je hier komt doen,” zei Janos nadat David zijn buik had volgegeten en Hertha de vuile borden en bekers had weggezet. Hij stopte een pijp met tabak uit een leren zakje.

“Ik had honger,” antwoordde David.

Hertha ging bij David en Janos zitten.

“Dat is niet helemaal wat mijn man bedoelt, denk ik. Je ziet er heel anders uit dan de meeste jongens die in Mythia wonen.”

“Oh dat,” zei David “ik weet zelf niet wat er gebeurd is. Ik ging ‘s avonds slapen op mijn wereld en toen ik de volgende dag wakker werd was ik hier. Jullie zijn de eerste normale mensen die ik tegenkom.”

Hertha en Janos wisselden een vluchtige blik. Janos had zijn pijp aangestoken en rook wervelde langs zijn gezicht omhoog.

“Waar kom je dan vandaan?” vroeg Hertha. David dacht even diep na en vertelde over zijn wereld.

Een paar uur later zaten Hertha en Janos stil voor zich uit te kijken. David was klaar met zijn verhaal en in hun wildste fantasieën hadden ze niet kunnen bedenken wat de jongen ze had verteld. In eerste instantie hadden ze hem niet echt geloofd, maar naarmate de jongen meer en meer vertelde waren ze toch gaan twijfelen en nu wisten ze beide bijna zeker dat David echt van een andere wereld kwam. Wagens zonder paarden, die uit zichzelf bewogen, wagens zonder paarden die konden vliegen! Met elkaar praten, zelfs als je kilometers ver bij elkaar uit de buurt bent. Een kastje waarop je beelden kon zien die eerder waren gemaakt. David had ze nog maar niets verteld over computers of internet, anders had hij de hele avond wel vragen kunnen beantwoorden. Janos’ pijp was uit, al een hele tijd, en lag vergeten in zijn hand.

“En de ketting die je hier heeft gebracht, mag ik die eens zien?” vroeg Hertha.

David haalde de ketting tevoorschijn en gaf hem aan Hertha. Hertha pakte hem aan en bekeek de ketting en de munt van alle kanten.

“Ik heb deze ketting nog nooit gezien,” zei ze, “en heb er ook nooit van gehoord.”

Ze gaf de ketting terug.

“Ik denk dat de ketting me hier naartoe heeft gebracht, maar ik weet niet hoe en ik weet ook niet hoe ik terug zou moeten naar mijn eigen wereld,” zei David terwijl hij de ketting weer om zijn nek hing.

Janos stond op, keek naar David en zei: “nou jongen, het lijkt erop dat ik je mijn excuses moet aanbieden.”

“We zijn de laatste tijd een aantal koeien kwijtgeraakt,” vulde Hertha aan, “ze moeten gestolen zijn, maar niemand weet wie het heeft gedaan. Mijn man houdt een oogje in het zeil vanuit de schuur in de hoop hem te pakken.”

“En u heeft nog niemand gezien?” vroeg David.

“Jawel,” zei Janos “maar niemand gelooft me. Ik keek een paar nachten geleden naar buiten en ik zag een donkere figuur over het erf lopen. Voorzichtig pakte ik mijn kruisboog en sloop naar buiten. Even dacht ik dat de figuur al weg was, of dat ik het me had verbeeld. Ik draaide me om, om terug naar binnen te gaan en stond oog in oog met een gruwelijk monster. Het was veel groter dan ik, overal haar en slagtanden zo groot als messen,” Janos maakte grote gebaren bij de omschrijving van het monster, “ik richtte de kruisboog, maar trilde zo vreselijk dat ik hopeloos mis schoot. De pijl zit nog in het dak van de schuur. Het beest rende weg, sprong over het hek en verdween in de bossen. Hertha zei tegen me dat ik het waarschijnlijk had gedroomd, maar ik weet wat ik gezien heb.”

Hertha grinnikte, “je bent gewoon een beetje aangeslagen door de diefstal Janos. Dat monster dat jij denkt gezien te hebben kan toch niet bestaan? Zeker als het zo groot is. Dan hadden andere mensen het ook moeten zien.”

“Misschien heb je gelijk vrouw, maar dan was het wel de meest enge droom die ik ooit heb gehad.”

Janos keek weer naar David, “toen ik jou zag dacht ik in ieder geval dat ik de echte dader te pakken had. Mijn fout.”

“Het was niet uw fout,” zei David, “ik had nooit zomaar uw erf op moeten lopen.”

“Heb je al een idee waar je heen wilt?” vroeg Hertha aan David.

“Nee. Ik zou niet weten waarheen.”

Hertha dacht even na, “als je wilt kun je hier een tijdje blijven. Er is veel werk te doen en Janos wordt ook een dagje ouder.”

Janos keek kwaad naar Hertha, maar zij negeerde hem, “we geven je in ieder geval onderdak en eten zolang je hier bent.”

David overwoog zijn opties. Het was geen slecht idee. Als hij bij Hertha en Janos bleef had hij in ieder geval een dak boven zijn hoofd en een volle maag. In de tussentijd kon hij uitzoeken wat er precies gebeurd was en hoe hij terug kon naar zijn eigen wereld.

“Ik zou hier graag blijven, mevrouw, bedankt voor het aanbod.”

“Bedank me nog maar niet,” zei Hertha, “het is hier hard werken.”

 

 

Hoofdstuk 13

 

Al vijf dagen hobbelde de koets over de zandpaden op weg naar de schuilplaats. Als de avond viel zochten ze één van de vele taveernes die Mythia rijk was op om te eten en te slapen. De gewone kleding en de koets hadden het gehoopte effect. Niemand had nog gezien dat de koningin en haar dochter buiten het paleis waren. De eigenaars van de taveernes waar zij geweest waren hadden zonder blikken of blozen de sleutels van de kamers verstrekt. Koningin Myra staarde uit het raam. De weg waar ze op reden was breed. Aan weerszijden lagen de akkers van de boerderijen van Mythia. Boeren, die op het land aan het werk waren, keken naar de passerende koets en gingen zodra de koets uit zicht was weer aan het werk, geen idee dat ze zojuist de koningin en haar dochter voorbij hadden zien gaan. Myra was diep in gedachten verzonken en zag de boeren niet.

Ze was haar leven begonnen als de dochter van de oude raadsman en groeide op in het paleis, waar ze van haar vader lezen en schrijven, geschiedenis en de koninklijke gebruiken leerde. Als jong meisje was ze al voorbestemd om de vrouw van de nieuwe koning te worden, maar die gedachte had haar absoluut niet aangesproken. Myra geloofde in de liefde en ze kon zich niet voorstellen dat een gearrangeerd huwelijk zou werken. Zeker niet met een arrogante koningszoon. De koning zelf was een vreselijke man. Hij regeerde over Mythia met een ijzeren hand en was niet geliefd bij het volk. Honderden mensen verdwenen voor de meest simpele vergrijpen in de gevangenis. Armoede was meer regel dan uitzondering. Mensen die om hulp kwamen werden hardhandig de deur gewezen. Myra dacht dat de prins net zo vreselijk was als zijn vader. Ze leefde al zo lang in het paleis en had de prins heel vaak gezien, maar hij sprak nooit tegen haar en deed altijd net alsof ze niet bestond. Als het aan haar lag zou ze nooit met hem trouwen. Ze zou eerder weglopen dan dat ze met hem zou trouwen. Dat dacht ze tenminste.

Ze kon zich de dag nog goed herinneren. Haar vader zou haar les geven, maar werd weggeroepen voor een belangrijke bespreking en Myra had de rest van de dag vrij. Net als Istia vond ze het zalig om door de tuin te wandelen en de bankjes op te zoeken, die bij de vijver in het midden van de tuin stonden. De twee witte zwanen, die altijd in de vijver zwommen, kwamen meerdere malen statig voorbij drijven en ze genoot van het mooie weer. Ze hoorde hem pas toen hij naast haar op het bankje ging zitten. Hyros, de zoon van de koning, lachte naar haar, een brede stralende lach, en ze kon niet anders dan terug lachen. Even bleef hij stil en daarna begon hij te hakkelen en te stotteren. Hij vertelde haar dat hij al jarenlang verliefd op haar was, maar nooit eerder iets tegen haar had durven zeggen. Bang om iets stoms te zeggen waardoor ze hem niet leuk zou vinden. Hij vertelde haar dat hij de juiste woorden niet kon vinden, dat geen enkel woord voldoende was om te beschrijven wat hij voelde als hij haar zag. En hij vertelde dat hij haar het allermooiste meisje vond dat hij ooit gezien had. Myra had hem met grote ogen aangekeken. Het was duidelijk een speech die Hyros al een tijdje aan het oefenen was en doordat hij zo nerveus was en zo stotterde vond Myra hem nog liever. Het was het begin van een prachtige relatie. Vanaf dat moment brachten ze ieder vrij moment van de dag samen door. Uren kon ze met hem praten. Al haar vooroordelen over hem verdwenen als sneeuw voor de zon en ze werd hals over kop verliefd.

 

Hyros en Myra trouwden één jaar later op de dag dat zij achttien werd. De oude koning stierf en Hyros besteeg de troon. Hyros was heel anders dan zijn vader. Iedereen die om hulp kwam vond bij hem een luisterend oor. Vaak trok hij het land in om te kijken hoe het met het volk ging, om te kijken of er geen mensen in armoede leefden. De schaduw van de daden van zijn vader volgde hem overal, maar langzaam maar zeker begon ook het volk te zien wat Myra al jaren zag: Hyros was anders dan zijn vader. Met zijn daden verdiende hij het respect van zijn volk en hij werd een alom geliefde koning. Samen regeerden ze over het land, bijgestaan door haar vader als raadsman. Myra was heel gelukkig tot haar vader stierf. Een enorme leegte overspoelde haar. Myra, die haar moeder nooit had gekend omdat ze was gestorven bij haar geboorte, was ineens helemaal alleen. Ze moest het doen zonder de wijze raad van haar vader en haar verdriet was enorm, maar het leven ging door. Het leven moest door. Hyros ging op zoek naar een nieuwe raadsman en de meest geschikte persoon was een leraar van de school van Dorma. Het was een goede keuze. De nieuwe raadsman, Palin, had zijn eigenaardigheden maar bleek zeer geschikt voor de functie. Hij nam Hyros veel werk uit handen, zodat hij tijd had om bij haar te zijn. Myra had de steun van Hyros hard nodig na de dood van haar vader en samen met hem kwam ze er weer bovenop. Myra werd zwanger. Istia werd geboren. Ze kon haar geluk niet op. Maar zoals zo vaak in het leven kon het geluk wel op. Niemand, zeker zij niet, kon vermoeden dat er iets vreselijks stond te gebeuren.

 

Eén van de wielen van de koets reed over een steen en Myra schrok op uit haar gedachten. Istia lag rustig te slapen op de bank tegenover haar. Myra glimlachte. Ze hield vreselijk veel van Istia, maar het leek of ze de laatste jaren uit elkaar gegroeid waren. Was Hyros er nog maar. Met hem was alles anders. Was haar leven beter. Myra keek weer uit het raam en onwillekeurig gingen haar gedachten naar de fatale avond.

Hyros, Myra en Istia, inmiddels 10 jaar oud, hadden ‘s avonds gegeten. Hyros voelde zich na het eten helemaal niet lekker en werd snel zieker en zieker. Samen met een paar bedienden hielp Myra hem naar bed. Hij zag lijkbleek en zweet droop van zijn voorhoofd. Binnen tien minuten was de dokter in het paleis en hij herkende de symptomen van een vergiftiging meteen. De dokter deed wat hij kon, maar het mocht niet baten. Myra kon het niet geloven. Hyros was zo geliefd. Wie zou haar man willen vergiftigen? Mythia was in rouw. Myra was ontroostbaar en trok zich veel terug in haar kamer. Istia, die bij haar moeder geen steun vond, vond dit wel bij haar leraar, Zacharias, die in het paleis was gekomen nadat Palin raadsman was geworden. Prinsen en prinsessen werden altijd door de raadsman opgeleid, maar Palin scheen daar allemaal geen tijd voor te hebben en had een oude collega van school gevraagd deze taak over te nemen. Zacharias bemoeide zich nauwelijks met de gang van zaken in het paleis. Zijn taak was het opvoeden van de dochter van de koningin. Myra en Hyros, toen hij nog leefde, vertrouwden Zacharias blindelings en Myra kon aan Istia zien dat ze gek was op hem en hij op haar. Na de dood van haar man kon ze het niet opbrengen om ook nog voor Istia te zorgen. Ze had geen kracht meer. Nu had ze niet alleen haar vader, maar ook haar man verloren. De twee grote liefdes in haar leven. Haar verdriet was te groot. Ze huilde alleen maar. Kwam soms dagen niet uit haar kamer. Wat had Istia zo aan haar? Bij Zacharias was Istia veilig. Bij hem vond ze een luisterend oor. Bij hem was ze in goede handen.

Twee jaren gingen zo voorbij en het was voor Myra een grote schok toen Palin slechts enkele weken terug met onweerlegbaar bewijs kwam dat Zacharias haar man had vergiftigd. Wachters in Dorma hadden een apotheker gevonden die zich herinnerde dat Zacharias bij hem gif had gekocht. Op de vraag van de apotheker waar hij het gif voor nodig had, had Zacharias geantwoord dat er een rattenplaag heerste in het paleis. Zacharias was in de gevangenis gegooid. Daar had raadsman Palin voor gezorgd. De raadsman was woedend. Hij wilde Zacharias zien hangen. Smeekte haar bijna om de doodstraf uit te spreken, maar Myra wilde eerst met Zacharias praten, zijn kant van het verhaal horen. Ze had het gesprek te lang uitgesteld. Bang om hem onder ogen te komen. Bang voor wat hij haar zou vertellen. En nu was hij ontsnapt. Nu moesten ze zelf vluchten.

Met een half oog zag Myra dat de koets de dichte bossen bij Loura binnen ging, nog even en ze konden stoppen voor de nacht. Myra dacht aan haar gesprek met Palin vijf dagen eerder. Hij had haar verteld dat één van de wachters had opgevangen dat Zacharias zich had aangesloten bij de verbannen criminelen in de woestijn. Waarschijnlijk zou er een aanval op Mythia volgen. De koningin moest in veiligheid gebracht worden. Palin zou achterblijven om de wachters van Mythia voor te bereiden op de aanval. De koningin kon niet anders dan onderduiken. Ze moest ook denken aan Istia. Wat konden zij en Istia betekenen als er een oorlog uitbrak? De koets kwam tot stilstand.

“Even de paarden laten rusten majesteit, we gaan zo weer verder,” zei de koetsier die ondertussen van de bok af was gekomen.

Koningin Myra knikte en schudde haar dochter wakker. Istia rekte zich uit en stapte samen met haar uit de koets. Myra liep naar de rand van het pad en staarde tussen de bomen door. Ze had al een paar dagen een vreemd gevoel. Er klopte iets niet. Ze kende Zacharias al zo lang. En dan die apotheker, waarom kwam die nu, na zo’n lange tijd, pas met de informatie over het gif? Was Zacharias wel de moordenaar? En als hij niet de moordenaar was, wie dan wel?

Geschreeuw en het geluid van hoeven op het zandpad deden Myra opschrikken. Ze keek in de richting waar het geluid vandaan kwam. Luider en luider werd het geschreeuw en ineens zag ze de paarden die op hen afkwamen. Vijf in totaal. Zwarte paarden met mannen erop. De mannen droegen doeken over hun neus en mond zodat ze hun gezichten niet kon zien. Allen hadden een zwaard in de hand en zwaaiden er wild mee boven hun hoofd terwijl ze al schreeuwend de koets naderden. Rovers! Myra keek paniekerig naar de koetsier, die meteen reageerde en op de bok sprong, “in de koets! Snel!”

Myra en Istia sprongen de koets in en de koetsier bracht de paarden in beweging. Een paar tellen later vloog de koets met een enorme vaart bonkend en schuddend over het zandpad. Myra keek door de opening in de achterkant van de koets naar buiten. De mannen kwamen snel dichterbij. Van boven op de bok spoorde de koetsier de paarden aan nog harder te gaan lopen. De koets was niet gebouwd op dit soort snelheden. Af en toe kwamen de wielen gevaarlijk van de grond. Myra hoopte vurig dat de koets niet om zou slaan. Ze wilde er niet aan denken wat er zou gebeuren als de rovers ze te pakken kregen.

“Hoever is het volgende dorp?” riep Myra naar de koetsier. Ze wist dat ze in het dorp veilig zouden zijn.

“Niet ver meer!” De koetsier was nauwelijks te verstaan door de snelheid van de koets en hij moest schreeuwen om boven de herrie uit te komen.

Door de opening zag ze dat de mannen al veel dichterbij waren. Istia keek haar met grote paniekogen aan. Myra wilde wat zeggen om haar gerust te stellen, maar kon de woorden niet vinden. Jaren van afzondering hadden haar vervreemd van haar dochter. Ze keek weer door het raampje in de achterkant. Vanuit haar ooghoeken zag Myra iets wegspringen tussen de struiken naast het pad, maar ze schonk er verder geen aandacht aan. Myra hoorde een tik. De punt van een pijl stak dwars door de achterkant van de koets. Ze greep Istia en drukte zichzelf en haar dochter tegen de bank. Weg bij de opening achter in de koets. Meer pijlen raakte de koets. Op de bok schreeuwde de koetsier naar de paarden, “lopen!” Myra hoorde de paarden hijgen en briesen. Ze waren net gestopt en de paarden hadden nog geen tijd gehad om te rusten. Ze waren moe. Zouden ze het wel volhouden tot aan het dorp? Een bonk klonk tegen de koets en de deur vloog open. Wind kwam de koets in. Myra keek opzij. Door de open deur zag ze de rover die naast de koets galoppeerde. Hij keek naar binnen. Keek haar aan. Ze zag zijn ogen. Koude grijze ogen met niets anders dan moordzucht erin. De rover richtte zijn kruisboog op haar. Myra hield haar adem in. Dit was het dan. Van deze afstand zou de pijl zijn doel niet missen. Ze was bang, maar niet voor haarzelf. Ze was bang voor Istia. Ze hoopte dat de pijl haar dochter niet zou raken. De vinger van de rover sloot zich om de trekker. Myra wilde haar ogen sluiten, maar ze gingen niet dicht. Ze bleven staren naar de pijl. Met een ruk schoot de koets naar links en botste tegen het paard van de rover. De koetsier had de rover gezien. Het was te laat. De pijl schoot van de kruisboog af. Myra voelde een stekende pijn in haar wang. Haar hand schoot naar de pijnlijke plek. Ze keek. Bloed op haar hand. Ze bloedde. Waar was de pijl? Myra keek paniekerig rond en vond de pijl achter haar in een kussen dat op de bank lag. Ze leefde nog. Ze bloedde, maar het was maar een sneetje. De pijl was langs haar wang geschoten. Haar adem kwam langzaam weer op gang. Een paar centimeter naar rechts en ze was dood geweest. De rover was weg bij de deur. Teruggevallen door de botsing met de koets. Myra kwam overeind, trok de deur van de koets dicht en vergrendelde hem.

De achtervolging leek een eeuwigheid te duren. Myra was nog nooit zo bang geweest, nog nooit zo dicht bij de dood geweest. Was Hyros er nog maar. Ze miste hem zo vreselijk veel. Onder haar rilde Istia van angst. Ze streek over het hoofd van haar dochter. Als ze het dorp bereikten waren ze veilig. Hoe ver was het nog? Ze durfde niet meer uit het raam te kijken. Bang dat een pijl haar zou raken. Het geschreeuw van de rovers werd zachter. Myra kwam langzaam omhoog en waagde een blik naar buiten. De achtervolgers hielden in, stopten en verdwenen net zo snel als ze gekomen waren. Even later reed de gehavende koets het dorp Loura binnen.

 

 

Hoofdstuk 14

 

David wandelde in de bossen rond de boerderij van Hertha en Janos. Zijn aardse kleren waren verruild voor een ouderwets gebreid vest, dat met houten knopen op de voorkant dicht zat en een vale broek van een soort spijkerstof, dat na jaren gebruik nog steeds geen scheurtje vertoonde. De broek gaf de indruk dat hij zelfs niet kapot zou gaan als je ermee van een berg af zou glijden. David was niet van plan om het uit te proberen. Een paar bruinleren laarzen maakte het geheel compleet. De kleren waren van de zoon van Hertha en Janos geweest die al jaren het huis uit was. Ze pasten perfect. David ademde de frisse boslucht in. Hertha had hem op het hart gedrukt niet het bos zelf in te gaan, maar op het pad te blijven. De bossen schenen niet alleen maar vriendelijke dieren te bevatten. David was alweer vijf dagen bij Hertha en Janos. Janos had hem de meest voorkomende klusjes geleerd: koeien melken, houthakken en maaien en hij had hard gewerkt op de boerderij. Na de eerste dag werken kon David geen vinger meer optillen. Ieder spiertje in zijn lichaam deed pijn. Zijn handen van het melken, zijn schouders en rug van het houthakken en het terugsjouwen van het hout naar de boerderij, en bij het maaien, dat de pijn in zijn armen, schouders en rug nog wat erger had gemaakt, hadden de spieren in zijn benen het ook begeven. Na het avondeten was hij als een blok in slaap gevallen en had, hoewel het gebruikelijk was op de boerderij om vroeg op te staan, geslapen tot ver in de volgende ochtend. De tweede dag ging het al wat beter en nu leek het alsof hij nooit anders had gedaan. Janos was blij met de hulp.

“De jongen leert sneller dan de knechten die we normaal hebben,” had hij tegen zijn vrouw gezegd.

“Hij is nog jong,” had Hertha geantwoord “niets is zo bestendig en leergierig als de jeugd.”

Met de hulp van David ging het werk sneller dan verwacht en Janos vond dat David wel een dagje rust had verdiend. Het was een prachtige dag en hij had besloten een eindje te gaan wandelen.

David liep een uur en besloot terug te keren naar de boerderij. De bossen in Mythia waren prachtig, maar hij verveelde zich. Misschien had Janos nog iets voor hem te doen. Hij begon terug te lopen. Het alleen zijn deed hem alleen maar meer denken aan zijn ouders. Hoe ongerust moesten ze wel niet zijn? David had het druk genoeg, maar af en toe, op de momenten dat hij even niets te doen had of ’s avonds in bed, werd hij overspoeld door gevoelens van heimwee. Zouden zijn ouders een grote zoekactie op touw hebben gezet? Zou zijn gezicht al op tv zijn geweest? Was er maar een manier om ze te laten weten dat hij in orde was, maar dat zat er voorlopig niet in. Zeker niet als hij bij Hertha en Janos bleef. Misschien werd het tijd om verder te trekken, om te kijken wat er nog meer in Mythia was? In zijn hoofd schreeuwde een klein stemmetje om aandacht. David stopte en spitste zijn oren, er was iets mis. In eerste instantie kon hij niet ontdekken wat het was, maar ineens hoorde hij het, of liever gezegd, hoorde hij het niet. Het was doodstil in het bos. Het getjilp van de vogels in het bos was meestal oorverdovend, maar nu leek het wel alsof ze allemaal weg waren. Alleen het geruis van de wind door de bladeren klonk. Ergens tussen de bomen aan zijn linkerkant kraakte een tak. David keek op en staarde tussen de bomen door. Hij zag niets. Een sterk gevoel dat hij bekeken werd bekroop hem en nerveus begon hij te lopen.

 

De boerderij was nog zeker een half uur lopen en David, die nu constant krakende takken in het bos hoorde, rende over het pad. De bomen langs het pad zoefden aan weerszijden voorbij. Het was duidelijk dat iets of iemand hem volgde. Vluchtige blikken opzij leverden niets op. Wat het ook was, het hield zich goed verborgen. David was de fase paniek al voorbij en was aardig op weg naar doodsangst. Onvermoeibaar door de angst vloog hij over het zandpad. Een spoor van stof, dat opsprong iedere keer als zijn laarzen de grond raakten, trok achter hem aan. En ineens was er naast het geluid van krakende takken, het geluid van hoeven en het geluid van mensenstemmen. Gelukkig! David stopte en bleef hijgend stilstaan, vast van plan om de ruiters te laten stoppen. Misschien konden ze hem zelfs een lift naar de boerderij geven. Even schoot de gedachte door zijn hoofd, dat het misschien wel gevaarlijke mensen waren, maar hij verbande die gedachte naar een uithoek van zijn hersenen. Alles was beter dan in het bos met, hij wist niet wat, te blijven. Onder zijn voeten begon de grond te trillen, de ruiters waren nu behoorlijk dichtbij, hij kon zelfs woorden horen.

“Lopen! Kom op! Harder!”

Dat klonk niet als een groep ruiters die rustig op pad waren. Er zat een flinke bocht in het pad en voorbij de bocht kon hij niets zien. Het geluid werd harder en harder en ineens stond hij oog in oog met twee wild briesende paarden die een koets achter zich aan trokken. David stond als aan de grond genageld, ogen wijd open. Met een vaart die hij niet voor mogelijk had gehouden bij paarden kwam de koets op hem afgestormd. Hij zou onder de koets terecht zijn gekomen als zijn instinct het niet van zijn verstand had overgenomen. Met een enorme krachtsinspanning wierp David zich opzij. De paarden misten hem op een haar na. David landde op zijn zij, rolde nog een meter door en stootte zijn hoofd tegen een uit de grond stekende wortel. Alles werd zwart. Hij merkte niet dat de koets doorreed. Hij merkte ook niet dat de koets achterna gezeten werd door vijf mannen te paard. Hij merkte zeker niet, dat nadat de koets en de achtervolgers uit het zicht waren verdwenen, een paar grote behaarde armen hem voorzichtig optilden en hem meenamen.

 

 

Hoofdstuk 15

 

Koningin Myra, Istia en de koetsier stonden bij het wachtershuis in Loura. De koetsier had de paarden uitgespannen en bij de grote stal in Loura neergezet, waar ze na de vermoeiende inspanning om weg te komen bij de rovers, smakkend stonden te genieten van een zak haver. Op Myra na was niemand gewond geraakt, zelfs de paarden niet. Het was een klein wonder. Een jonge wachter luisterde aandachtig naar het verhaal van de koningin. Kleine zweetdruppeltjes stonden op zijn voorhoofd. Het zag er niet naar uit dat deze wachter in staat zou zijn om achter de rovers aan te gaan.

“Misschien is het verstandig als je de andere wachters er ook bij haalt,” zei Myra.

“Er zijn geen andere wachters hoogheid,” zei de wachter nerveus, “ik ben de enige.”

“Hoe is dat mogelijk? Loura had naast Dorma de meeste wachters van Mythia!”

“Raadsman Palin heeft sinds de dood van de koning bijna alle wachters naar het paleis gehaald.”

Myra kon zich inderdaad herinneren dat er steeds meer wachters rondliepen in het paleis, maar had hier verder geen aandacht aan besteed. Wachters weghalen uit Loura. Waarom zou hij dat doen? Het irriteerde haar dat Palin het niet met haar besproken had, maar daar kon ze nu niets aan veranderen.

“Misschien kunnen we om versterking vragen bij het paleis?” opperde de wachter voorzichtig.

“Het is inderdaad de meest verstandige beslissing die we op dit moment kunnen nemen,” zei Myra.

De wachter, zichtbaar opgelucht, ging snel aan het werk.

Mythia kende geen telefoon of telegraaf. Communicatie over lange afstanden verliep met behulp van postduiven of door middel van boodschappers die een hoorn en een hoeveelheid aan ingewikkelde fluittonen gebruikten om de boodschappen door Mythia te sturen. In ieder dorp was er 24 uur per dag een boodschapper paraat. De boodschapper van Loura, het bericht van de koningin aan het paleis op een papiertje in zijn borstzak, klom op de houten toren die speciaal voor boodschappers bestemd was en begon te blazen. Het geluid was tot in de verre omtrek van Loura te horen. De dienstdoende boodschapper in het volgende dorp spitste zijn oren, pakte een potlood en papier en schreef het bericht op. De boodschappers in Mythia waren niet alleen bekend met de fluittonen die de berichten opmaakten, maar ook met de lijn die gevolgd moest worden om de boodschap zo snel mogelijk op de juiste plaats te krijgen. Voor ieder bericht werd daarom een specifieke toon geblazen die hoorde bij een bepaald dorp, zodat alle boodschappers die het bericht hoorden meteen wisten wie degene was die het door moest sturen. Het bericht werd twee keer herhaald zodat de boodschappers er zeker van waren dat er geen fouten in het bericht zaten.

Ondanks dat deze manier sneller was dan een boodschap te paard of per postduif afleveren, duurde het meer dan twee uur voordat er bericht van het paleis terugkwam. Het bericht was kort en simpel, “extra beveiliging onderweg.” Myra en Istia konden niets anders doen dan wachten. Het had ze vijf dagen gekost om in Loura te komen, en ze hadden het rustig aan gedaan, dus zou het minimaal drie dagen duren voordat de versterking er was. Als de wachters tenminste in één keer door zouden rijden. Myra en Istia werden door de wachter naar de locale taveerne geleid. De bar was leeg en de wachter overlegde met de eigenaar van de bar terwijl Myra en Istia in de deuropening stonden. De eigenaar, een dikke, vrolijke man, die aan zijn neus te zien wel van een glaasje hield, kwam achter de bar vandaan en liep met een brede grijns op ze af.

“Hoogheid, wat een eer!” Duidelijk niet op de hoogte van de etiquette schudde hij haar hand. Myra lachte naar hem. Vandaag was niet de dag om alles volgens de regels te doen.

“Ik heb boven een kamer vrij waar u kunt wachten tot de versterking is gearriveerd. Kan ik u wat te eten en te drinken aanbieden?”

“Dat zou heerlijk zijn, dank u,” zei Myra.

“En ik zal de dokter roepen om naar uw wang te kijken,” zei de eigenaar.

Myra was de wond al weer helemaal vergeten. Ze voelde met haar vingers aan haar wang. De snee bloedde niet meer, maar opgedroogd bloed kwam los terwijl ze er over veegde. Haar gezicht zag er waarschijnlijk vreselijk uit.

Twintig minuten later zaten Myra en Istia in een klein kamertje aan een tafel. De dokter was net weg. Hij had de wond op haar wang schoongemaakt en er goed naar gekeken. Het was niet ernstig en zou mooi genezen. Myra had enorm veel geluk gehad. De eigenaar had wat brood en thee boven gebracht. Istia plukte stukjes van het brood af en nipte aan haar thee. Myra at niet. Ze was met haar gedachten bij de mannen die achter de koets aan hadden gezeten. Raadsman Palin had dus toch gelijk. Er was iets ernstig mis in Mythia. Haar leven en dat van haar dochter waren in gevaar. Ze had het niet willen geloven en ze geloofde nog steeds niet dat Zacharias ermee te maken had, maar voorzichtigheid was geboden. Al was het alleen maar voor Istia.

 

David knipperde met zijn ogen. Het zonlicht scheen tussen de bladeren door op zijn gezicht en verblindde hem. Hij ging rechtop zitten en legde zijn hand op zijn voorhoofd. Een pijnscheut schoot door zijn hoofd en hij voelde voorzichtig aan de bult die op zijn voorhoofd zat. Zijn kleren waren vies van de modder waar hij in gevallen was. David stond op controleerde de rest van zijn lichaam. Behalve de bult op zijn hoofd leek er verder niets mis met hem. Hij veegde zo goed en zo kwaad als het ging de modder van zijn kleren. Even voelde hij zich duizelig en hij plaatste snel zijn hand tegen een boom om niet onderuit te gaan. Zo snel als hij zijn hand op de boom had gelegd, trok hij hem ook weer terug. Bomen waren meestal niet warm en wollig. Hij draaide zich naar de boom. Zijn ogen bewogen van beneden naar boven. Het beest voor hem was enorm. De benen en voeten waren bedekt met een grijze vacht, net als het lijf en de armen erboven. Grote nagels met scherpe punten die blonken in het zonlicht staken uit zijn vingers. David’s ogen bereikten de kop van het beest. Hij gaf een gil en viel van schrik achterover op de grond. Het verhaal van Janos en de verdwenen koeien sprong in zijn hoofd en hij duwde zich met zijn benen achteruit over de grond om weg te komen. Zijn rug knalde tegen een boom. Hij kon niet verder achteruit. Het beest had nog niet gereageerd en staarde, zijn kop schuin, naar hem. Nauwelijks ademend bleef David met zijn rug tegen de boom zitten in afwachting van wat het beest ging doen. De kop van het beest leek nog het meest op dat van een uit de kluiten gewassen hond. Bruine ogen staarden door het lange haar naar David. De snuit stond iets naar voren en David zag tot zijn ontzetting dat de twee onderste slagtanden ver over de bovenlip staken. Het beest toonde geen enkele emotie, noch enige intentie om naar hem toe te komen.

“Als hij me had willen doden, had hij het al lang gedaan,” dacht David en begon langzaam overeind te komen. De pijn in zijn hoofd was hij voor het moment helemaal vergeten. David deed rustig een stap achteruit, en nog één, en nog één. Hij hoopte vurig dat het beest niet méér zin had in een bewegend hapje. Met een snelle beweging draaide hij zich om en zette het op een lopen. Angst gaf hem vleugels, de bomen flitsten voorbij. Hij wist niet hoever hij in het bos was maar… Op hetzelfde moment brak hij door de bomen en struiken. David stopte en staarde naar het huis van Hertha en Janos. Het beest had hem tot vlakbij de boerderij gebracht. Verbaasd keek hij achterom. Door de donkere schaduwen tussen de bomen was het onmogelijk om te zien of het beest er nog was. Hij was niet van plan om terug te gaan om te kijken. Verward liep hij het huis binnen.

 

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |