Hoofdstuk 16

 

Het Woeste Land was een koude plaats om de nacht door te brengen. Karos zat met zijn mannen rond het kampvuur in het kamp dat door de bannelingen was opgebouwd. Tientallen tenten stonden om hen heen, de meeste met gaten in het doek. Niet dat het uitmaakte, het regende nauwelijks in de woestijn. Het was behelpen. Als je uit Mythia werd verbannen kreeg je niets mee. Alleen de kleren aan je lijf. Karos had zijn zwarte cape ver over zijn hoofd getrokken, zodat van buitenaf zijn gezicht niet was te zien. De vlammen van het vuur wierpen lange donkere schaduwen achter de mannen die rond het vuur zaten. De tenten die het dichtst bij het vuur stonden werden zwakjes verlicht. Karos staarde in de vlammen.

“Hoe lang duurt het nog baas?” vroeg één van de mannen naast hem.

“Hoe moet ik dat nou weten,” gromde hij, “als ik iets weet, zijn jullie de eersten die het horen!”

Vanuit zijn cape kon hij alle mannen rond het vuur zien. Tien in totaal. Allemaal verbannen uit Mythia om de rest van hun dagen te slijten in de woestijn. In het kamp zelf zaten ook nog eens vijftig mannen. Deze hadden echter besloten om de kou te bevechten in hun tent. Karos leefde van alle mannen het langst in de woestijn. Dat en zijn enorme omvang, als hij rechtop stond was hij meer dan twee meter groot en zijn schouders en nek deden niet onder voor die van een stier, hadden ervoor gezorgd dat hij de leider van de bannelingen was geworden. Zijn agressieve aard zorgde ervoor dat hij het bleef. Karos stond op en gooide de cape van zich af. Zijn lange krullende zwarte haar viel over zijn schouders. Een groot litteken liep langs de rechterkant van zijn gezicht van zijn slaap tot aan zijn kaak. Opgelopen in een gevecht tegen een poema, die hij in de eerste maand na zijn verbanning in de woestijn was tegengekomen. De poema had de ontmoeting niet overleefd, maar had nog wel kans gezien een nagel over het gezicht van Karos te halen. Karos droeg de tanden van de poema als een trofee aan een koord rond zijn nek. Hij stond op, liep een stukje bij het vuur weg en keek omhoog. Miljoenen sterren stonden aan de heldere hemel. De koude wind deed hem rillen. Hij vond het niet erg. Kou zorgde ervoor dat hij helder kon denken.

Dertien jaar eerder was Karos naar het Woeste Land verbannen. In een dronken bui had hij, boos na het verliezen van een spelletje poker, een bar kort en klein geslagen. Een wachter, gealarmeerd door de herrie in de bar, was binnengekomen en had geprobeerd Karos te kalmeren. Karos had hem gegrepen en met een flinke klap op zijn hoofd van het leven beroofd. Twintig wachters waren uiteindelijk nodig geweest om hem te pakken te krijgen. De koning had besloten dat Karos een gevaar was voor Mythia. Hoewel iedereen zou zeggen dat het zijn eigen schuld was, zag Karos dat niet zo. Hij had een grondige hekel aan het koningshuis en had zich voorgenomen dat als hij ooit de kans zou krijgen, hij zich zou wreken. Naarmate de jaren voorbij gingen in de woestijn vervloog zijn hoop op wraak, tot een ruiter de woestijn in was gekomen met een boodschap. De boodschap was simpel. Een greep naar de macht in Mythia. De vraag of hij mee wilde doen was snel beantwoord. Karos en zijn mannen wisten wat ze moesten doen. Ze waren er klaar voor, en als het aan Karos lag zou het plan met een hoop geweld uitgevoerd worden. De vijf mannen die hij Mythia in had gestuurd om de koningin op te jagen, waren net terug en alles was in ieder geval goed verlopen. Hij had niet verwacht dat de koningin op de afgesproken plek zou verschijnen, maar blijkbaar was alles toch beter geregeld dan hij dacht. Misschien had het plan zelfs een kans van slagen.

Een luide klap en een hoop geschreeuw klonken achter hem en Karos draaide zich om. Twee van de mannen, Tholas en Rico, rolden over de grond. Ze hadden ruzie. Rico kwam boven te liggen en stompte Tholas een paar keer in zijn zij. Karos was binnen een seconde bij de vechtjassen, greep Rico bij zijn kraag, tilde hem op en wierp hem alsof hij niets woog van zich af. Rico landde met een klap op de grond en keek versuft om zich heen. Karos pakte Tholas onder zijn armen en tilde hem op. Tholas’ voeten bungelden slap boven de grond. Karos keek in zijn angstige ogen.

“Waar zijn jullie mee bezig?” siste hij.

“Rico begon baas. Hij zei dat ik te dom was om mee te mogen doen met het plan.”

Karos liet Tholas los, die op zijn voeten landde, uit balans raakte en daardoor hard op zijn achterwerk viel. Stilte heerste rond het vuur. Karos liep langs zijn mannen en keek ze allemaal even in het gezicht. Geen van de mannen keek terug.

“Wat zijn jullie? Een stel kleine kinderen?”schreeuwde hij, “we staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk en jullie gedragen je als kleuters?”

Tholas staarde beschaamd naar zijn voeten.

“Als ik nog één keer merk dat er gevochten wordt, zal ik er op mijn manier een eind aan maken en ik kan jullie garanderen dat mijn manier geen pretje is.”

Karos besloot er verder geen woorden aan vuil te maken, ging weer zitten bij het vuur en trok de cape over zijn hoofd.

“Wat een idioten,” dacht hij. Even twijfelde hij. Zou hij de mannen kunnen vertrouwen als het erop aan kwam? De twijfel trok snel weg. Hij had een macht over zijn mannen die allesoverheersend was: angst. Mensen die bang voor je waren, deden alles wat je ze vroeg. Karos glimlachte in zijn cape en dacht na.

 

 

Hoofdstuk 17

 

Sergeant Tores had de koningin zien vertrekken, dat was vreemd, en nu zag hij een aantal wachters het paleis uitrijden. Hij liep terug naar zijn houten bed en ging op de rand zitten. Er was iets aan de hand en zijn wachterinstinct zei hem dat er gevaar dreigde. Sergeant Tores was niet van plan geweest om te ontsnappen, hij had een fout gemaakt en diende daarvoor te boeten, maar het vertrek van de koningin had hem aan het denken gezet. Hij mocht dan geen hogere opleiding hebben zoals de raadsman, maar zijn hersens werkten uitstekend. Waarom zou de koningin het veilige paleis verlaten? Ze bezocht Mythia hooguit eens in de maand en ze had haar ronde pas nog gedaan. Daar kwam bij dat ze niet in haar koninklijke koets was vertrokken, maar in een gewone koets, alsof ze niet herkend wilde worden. Er moest iets mis zijn. Sergeant Tores wreef bedenkelijk over zijn kin. Als er iets mis was, had hij de verantwoordelijkheid, nee! de plicht, om de koningin te helpen. Hij was niet voor niets hoofd van de wacht. Tores stond op en liep naar de deur van zijn cel. Luide stemmen en gelach klonken vanuit de wachterruimte in de gevangenis. Sinds hij sergeant af was, was de discipline ver te zoeken en zijn mannen waren dronken. Een goed teken. Hij liep terug naar het houten bed, tilde het op en voelde met zijn hand onder de poten. Sergeant Tores glimlachte. Hij trok zijn hand terug en hield het voorwerp dat hij uit de poot had getrokken in het licht. De sleutel glinsterde als een juweel. Tores was de enige die wist dat in iedere cel een sleutel te vinden was. Een slinkse sergeant had het ooit bedacht voor het geval Mythia aangevallen zou worden en de koninklijke wacht in de eigen cellen zou belanden. De vijand zou niet weten wat hen overkwam, als de hele wacht in een keer weer vrij was. Dagen was de sergeant ’s nachts bezig geweest om de poten van de bedden uit te hollen en er sleutels in te verstoppen. Hij was niet van plan geweest het ooit tegen iemand te vertellen, maar in een dronken bui had hij tegen de vader van Tores opgeschept over zijn briljante idee. De vader van Tores had het nooit aan iemand verteld, behalve tegen zijn zoon, toen deze wachter werd. Hij keek nog een keer naar de sleutel, bedankte in gedachte zijn vader, en stopte hem daarna weg. Haast was zijn grootste vijand. Over een uur zouden de wachters door de drank in slaap zijn. Geduldig wachtte Tores op zijn kans.

Tores luisterde aan de deur van zijn cel. Het gelach en gezang was afgelopen. Vanuit de wachtkamer klonk een luid gesnurk. Wachter eerste klas Goran waarschijnlijk. De enige die een heel dorp kon wakker houden met zijn gesnurk. Sergeant Tores besloot dat het tijd was om te ontsnappen. De celdeur was van massief hout met een kleine opening met tralies op ooghoogte. Van binnenuit was de deur niet te openen, het slot zat aan de buitenkant. Tores stak zijn hand, met de sleutel tussen zijn vingers geklemd, door de tralies en probeerde de opening van het slot te bereiken. Het slot was verder weg dan hij dacht. Met zijn vrije hand greep hij een tralie en trok zich omhoog zodat hij zijn arm nog iets verder richting slot kon bewegen. Met de sleutel tussen duim en wijsvinger vond hij de opening van het slot, maar het lukte niet om de sleutel er helemaal in te krijgen. Het was prutswerk en het duurde te lang. Tores voelde de tralie door zijn zweterig hand glijden. Hij zakte maar een klein stukje, maar de sleutel zat al half in het slot. Met een schok besefte hij dat als hij de sleutel vast zou houden, het ding zou kunnen breken en dan was er geen manier meer om de cel uit te komen. Hij liet de sleutel los in de hoop dat hij ver genoeg in het slot zat om niet te vallen. Tores hield zijn adem in en luisterde of hij iets hoorde vallen. Hij hoorde niets. Zijn adem kwam in een lange zucht weer naar buiten. Hij maande zichzelf tot kalmte. Voorzichtig stak hij zijn arm weer door de tralies en zocht op de tast naar de sleutel. Zijn vingertoppen tikten slechts zachtjes tegen het koude metaal van de sleutel, maar het was genoeg. Aan de andere kant van de deur klonk het geluid van metaal op steen. De sleutel had toch niet ver genoeg in het slot gezeten. Tores trok zijn arm terug door de tralies, zakte op de grond en keek door de kier onder de deur. De sleutel was te ver van de deur gevallen. Met geen mogelijkheid zou hij daar nog bij komen.

“Sukkel!” zei Tores kwaad en ging met zijn rug tegen de deur op de grond zitten. Hoe moest hij nu uit de cel komen?

 

Een heel eind verderop werd David wakker uit zijn slaap en keek naar het zo langzamerhand vertrouwde plafond van het huisje van Hertha en Janos. Hij hoorde Janos achter het gordijn snurken. Een trillend gevoel op zijn borst had hem wakker gemaakt en hij haalde de ketting met de munt uit zijn shirt. De ketting trilde zachtjes en kleine blauwe lichtjes dansten aan de rand van de munt. David staarde er in verwondering naar. Het was het mooiste wat hij ooit had gezien. De lichtjes werden steeds zwakker totdat de ketting weer stil hing en het licht helemaal weg was. David schudde de ketting heen en weer, maar die leek niet van plan nog zo’n schouwspel op te willen voeren. Hij stopte de ketting weg, legde zijn hoofd op het kussen en was binnen een paar seconden weer in slaap.

 

Tores zat met zijn hoofd in zijn handen tegen de deur. Er moest toch een manier zijn om de cel uit te komen? Een zacht rinkelend geluid klonk buiten de celdeur, alsof iets van metaal over de grond gesleept werd. Tores zakte op zijn knieën en keek nog een keer onder de deur door. Hij hoorde het geluid niet meer, maar de sleutel lag ineens wel een stuk dichterbij. De kier onder de deur was groot genoeg zodat hij met zijn middelvinger net de sleutel kon raken en na een paar mislukte pogingen om zijn vinger er goed op te krijgen trok hij hem langzaam onder de deur door. Vol verbazing staarde Tores naar de sleutel in zijn hand. Hij wist zeker dat de sleutel verder van de deur terecht was gekomen.

“De wonderen zijn de wereld nog niet uit,” fluisterde hij.

Deze keer ging alles in één keer goed en Tores stapte zijn cel uit, de schaars verlichte gang in. Hij schuifelde langs de muur naar de wachtkamer. Bij de wachtkamer keek hij voorzichtig om de hoek. Er waren vier wachters in de kamer. Alle vier diep in slaap. Een zat op een stoel en met zijn hoofd op de tafel. Een op de houten bank, die tegen de muur stond, en twee op de grond. Er was geen andere weg uit de gevangenis dan door de kamer. Tores stapte de kamer in, zette zijn laarzen zo zacht mogelijk neer en controleerde om de paar stappen of de wachters nog in slaap waren. Voorzichtig stapte hij over één van de wachters die op de grond lag heen.

“Stop!” riep de wachter onder hem. Tores’ hart sprong in zijn keel. Met ingehouden adem en zijn ene been nog half in de lucht keek hij naar de wachter. De wachter had zijn ogen dicht en murmelde nog wat, diep verzonken in een of andere droom. Tores liet zijn adem weer op gang komen om zijn hart te kalmeren. Voorzichtig maakte hij zijn stap af en liep verder. Hij bereikte de deur naar buiten. Het gevaarlijkste moest nog komen. Tores wist dat de deur naar buiten niet geluidloos openging. Jarenlange regen en slecht onderhoud hadden ervoor gezorgd dat er een flinke laag roest op de scharnieren zat. Tergend langzaam opende hij de deur. Een langgerekt gepiep klonk uit de scharnieren. Zweetdruppels vormden zich op zijn voorhoofd. De wachter aan de tafel bewoog onrustig heen en weer. Nog even en hij zou wakker worden. Tores trok met een ruk de deur open. Beter zo dan nog tien seconden gepiep. Uit de scharnieren klonk een laatste harde kraak en Tores wist nu zeker dat één van de wachters wakker zou worden. Eindeloze seconden gingen voorbij, maar hij hoorde niets anders dan het snurken van de mannen. Hij stapte door de deur naar buiten. De frisse nachtlucht koelde zijn bezwete gezicht. Er was geen tijd om ervan te genieten. Tores rende naar de stallen, zocht een paard uit en zadelde het op. Hij voerde het dier aan de hand mee tot aan de poort. Daar besteeg hij het paard en wierp een laatste blik over zijn schouder. De wachters waren nog steeds niet wakker geworden, lang leve de drank! Hij wist waar de koningin heen was gegaan en het was nog een hele lange rit. In het duister galoppeerde hij door de stille straten van Dorma. Zijn eindbestemming: de oude gevangenis in Loura.

 

 

Hoofdstuk 18

 

Na drie weken buiten werken had David een kleur gekregen, waar menig strandtoerist jaloers op zou zijn. Vroeg opstaan, keihard werken en goed eten, hadden hem geen windeieren gelegd. Hoewel hij de restjes vet was kwijtgeraakt, die hij in zijn luie stadsleven had opgebouwd, was David er niet dunner op geworden en hij was merkbaar sterker geworden. Het beviel hem prima. David zat op de grond en liet de zon op zijn gezicht schijnen. Achter hem kwam Hertha het huisje uitlopen met wat brood en een beker water. Ze riep Janos, die in de stal bezig was en samen aten ze in stilte. Hertha nam een slok water en keek bedenkelijk naar David.

“Waar denk je aan?” vroeg ze.

David haalde zijn schouders op, “niks bijzonders.”

“Voor niks bijzonders kijk je behoorlijk serieus.”

David keek naar de grond. Zijn heimwee was de laatste dagen steeds erger geworden. In het begin was het allemaal nieuw geweest. Het werken op een boerderij. De nieuwe omgeving. Hij had wel aan zijn ouders gedacht, maar niet zo heel erg vaak. Nu dacht hij bijna ieder moment van de dag aan thuis. David wist dat hij verder moest trekken, op zoek naar een manier om thuis te komen, maar hoe?

“Je denkt aan thuis,” zei Hertha.

David knikte.

“Het wordt tijd dat je verder trekt.”

“Maar het werk hier…,” zei David.

“Dat is zo goed als klaar. Je bent een geweldige hulp geweest en we vinden het vreselijk dat je weggaat, maar het is onvermijdelijk.”

Janos keek naar de grond terwijl Hertha sprak. Hij was niet zo goed met gevoelens, maar knikte zachtjes om aan te geven dat hij het volledig met haar eens was.

“Ik zou niet weten waar ik moest beginnen,” zei David.

“Jij niet, maar wij wel,” Hertha lachte naar hem “na het avondeten zal ik het vertellen.”

David verliet Hertha en Janos de volgende middag. Hertha gaf hem wat brood mee voor onderweg. Hij had al een stevig ontbijt genoten en had geen honger, maar dat kon nog wel komen. Janos deed hem beloven, dat als hij weer in de buurt was, hij langs zou komen. Na een paar zoenen van Hertha en een paar mannelijke klappen op de rug van Janos wandelde hij weg. Aan het einde van het pad draaide David zich nog een keer om. Hertha en Janos stonden in de deuropening en zwaaiden. David wist dat hij verder moest als hij ooit nog thuis wilde komen, maar hij zou Hertha en Janos toch missen. Ze hadden een speciaal plekje in zijn hart ingenomen. Zou hij ze ooit nog zien? Hij zwaaide terug en stapte de weg op. Binnen een paar stappen was hij uit zicht.

De grote leren buidel die om zijn schouder hing bonkte zachtjes tegen zijn heup bij iedere stap. Het brood en zijn aardse kleding zaten erin. David had besloten om de kleding van de zoon van Hertha en Janos aan te houden, zo viel hij minder op. Hij volgde het pad. Volgens Janos kwam het pad uit in het dorp Loura. Janos had hem verteld dat er een ziener in het dorp leefde die hem misschien kon vertellen wat hij moest doen om terug te komen. David geloofde niet echt in zieners of helderzienden of ander paranormaal gedoe, maar hij had in ieder geval weer een doel en dat was al heel wat. Af en toe stopte hij om te luisteren of hij iets hoorde of zag in de bossen. Hij had natuurlijk over zijn ontmoeting met het beest verteld. “Zie je wel!” had Janos geroepen, “ik wist wel dat ik het niet gedroomd had.” Hertha was er niet geruster op geworden. Het idee dat er een monster rond hun boerderij scharrelde maakte haar angstig. David wist niet zeker of het beest gevaarlijk was. Hoe langer hij over de ontmoeting nadacht, hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat het beest geen kwaad in de zin had. Het beest had zich niet meer laten zien sinds de dag dat hij bijna was overreden door een koets, maar toch had David het gevoel gehad dat hij bekeken werd als hij zijn klusjes op de boerderij deed. Net als nu. David besloot er geen aandacht aan te besteden en stapte rustig door. De weg naar Loura was lang en stoffig. Zelfs door de kruinen van de bomen brandde de middagzon op zijn hoofd en na een uur lopen hoorde David water stromen. Hertha en Janos hadden geen water meegegeven, maar hem verzekerd, dat al het water in Mythia zonder problemen te drinken was. David’s verhaal over de vervuiling van het water op aarde had de twee oudjes diep geschokt. Hij verliet het pad en liep in de richting waar het geluid vandaan kwam. Het duurde niet lang voordat hij bij een smal beekje kwam. Op zijn hurken schepte hij met zijn hand wat water uit de beek en goot het in zijn mond. Het smaakte prima. Daarna maakte hij zijn gezicht en haar nat. Het koude water voelde zalig op zijn warme gezicht. Opgefrist wandelde hij weer terug naar het pad en had niet in de gaten dat een klein figuurtje hem vanuit de bomen gadesloeg.

 

Laika had flink wat moeite gehad om David te vinden. De dieren in het bos bleken een grote hulp. Door de aanwijzingen van verschillende eekhoorns, vogels en konijnen, was ze uiteindelijk uitgekomen bij de boerderij. De koeien rond het huis van Hertha en Janos hadden haar verteld dat er inderdaad een jongen bij hun baas logeerde. Laika had de laatste weken doorgebracht in de stal van de boerderij. Ze was goede vrienden geworden met de familie vleermuizen die zich daar had gevestigd, hoewel ze er altijd moeite mee had om tegen iets te praten dat ondersteboven hing. Eerder die ochtend had ze haar nieuwe vrienden gedag gezegd en was David gevolgd. Vanuit de boom keek ze hem na. Gefladder klonk en de tak waarop ze zat boog iets door. Ze hoefde niet om te kijken om te zien wie er naast haar was komen zitten.

“Hallo Oeroe, moet jij niet slapen op dit moment van de dag?”

“Vandaag niet Laika. Is dat de jongen?”

Laika knikte.

“Weet je al hoe hij aan de ketting is gekomen?”

“Nee, ik heb nog helemaal niet met hem gesproken. Laten we eerst maar eens kijken wat hij van plan is. Kun je me bijhouden?” vroeg Laika.

“Tot dusver wel,” zei de uil gepikeerd.

Laika keek even naar haar gevederde vriend, steeg op en vloog zigzaggend tussen de bomen door achter David aan. Oeroe vloog omhoog. Hij had niet de wendbaarheid van Laika om tussen de bomen door te vliegen, maar wel hele goede ogen. Hoog boven het bos had hij een goed uitzicht. Ver boven David’s hoofd hield hij alles in de gaten.

 

 

Hoofdstuk 19

 

Het was een drukte van jewelste in de smalle straatjes. Mannen, vrouwen en kinderen liepen door elkaar heen. Sommigen hadden ezels volgeladen met allerlei koopwaar, anderen duwden grote houten karren voort. David keek zijn ogen uit. Het eerste wat hem was opgevallen waren de huizen. Stenen huizen, geen houten. Geen één huis was hetzelfde, maar ze waren wel tegen elkaar aan gebouwd zodat ze lange smalle straten vormden. Wasgoed hing aan lijnen gespannen tussen de huizen. Een vrouw met een handkar passeerde hem. De handkar, afgeladen met dekens, kleden en andere stoffen, kreunde onder het gewicht. Vlak achter haar werd een kudde schapen door de straat geloodst. Blatend kwamen ze hem voorbij. Een hond rende, geleid door de herder die vanachter de schapen verschillende fluittoontjes ten gehore bracht, enthousiast blaffend rond de kudde. De kleren die hij had gekregen van Hertha bleken een uitkomst, niemand schonk aandacht aan hem. David liep met de stroom mee.

Honderden houten kramen stonden door elkaar op de grote marktplaats. De rand van de markt was bestemd voor de boeren die vee verkochten. Dikke lagen stro waren uitgespreid op de stenen, waar koeien, schapen en geiten, rustig kauwend, de drukte aan zich voorbij lieten trekken.

David wandelde tussen de kraampjes door.

“Vers fruit!”

“Kaas, geitenkaas, schapenkaas, koeienkaas, alle soorten kaas!”

“Dekens!” de vrouw, die David eerder had gezien, had haar plek op de markt ingenomen, “slechts twee Gyra!”

De drukte in de straten was niets vergeleken met de drukte op de markt. Op sommige stukken moest David zich tussen de mensen door wurmen. Hij liep over de markt en bekeek alle waar. Sommige mensen keken even nieuwsgierig naar hem, maar gingen al snel weer door met hun bezigheden. Ondanks de situatie waarin hij verkeerde voelde David zich goed. Het was alsof hij terug in de tijd was gestuurd om een tijdperk te zien waar hij thuis alleen maar van kon dromen. Hij besefte echter ook waarvoor hij naar Loura was gekomen. Als hij eenmaal wist hoe hij terug naar huis moest, kon hij altijd nog besluiten om langer te blijven. Verderop was een kraampje waar toevallig even niemand stond. De koopvrouw zat op een kruk achter haar tafel waarop zilveren en gouden kettingen, ringen, oorbellen en andere sieraden waren uitgespreid. Gezien de koopwaar was het niet toevallig dat deze kraam nauwelijks bezocht werd. De mensen op de markt zagen er nou niet echt naar uit dat ze een hoop geld te besteden hadden.

David stopte voor de kraam. De vrouw, die eerder zonder veel enthousiasme naar de passerende menigte had zitten kijken, sprong op. Een hoopvolle blik verscheen in haar ogen.

“Zo jongeman. Waar kan ik je mee helpen? Een ketting voor je vriendin? Een ring voor je moeder? Of misschien wel een oorbel voor je vader?” het laatste werd vergezeld van een vette knipoog.

David voelde zich bijna schuldig.

“Sorry mevrouw, maar ik wilde eigenlijk alleen iets vragen.”

De hoopvolle blik was op slag verdwenen. Zuchtend ging de vrouw weer zitten. “Geen goede tijd voor goud en zilver,” mompelde ze zachtjes, “wat wil je weten?”

“Ik heb gehoord dat er hier een ziener woont, weet u waar ik hem kan vinden?”

“Hem?” vroeg de vrouw, “waar kom jij vandaan? Er bestaan geen mannelijke zieners.”

David was even van zijn stuk gebracht, maar liet zich niet kennen, “weet u dan misschien waar ik haar kan vinden?”

De vrouw wees naar links.

“Die kant oplopen totdat je van de markt af bent. Je loopt de eerste straat in die je tegenkomt en dan...,” de vrouw dacht even na, een frons verscheen even op haar voorhoofd, “en dan de derde straat rechts, en de eerste links. De derde deur aan de linkerkant is de deur van de ziener.”

De aanwijzingen van de vrouw bleken goed en het duurde dan ook niet lang voordat David de deur gevonden had. De straat waarin de ziener woonde was helemaal leeg. Over de daken van de huizen kon David nog het geroezemoes van de mensen op de markt horen, maar in de straat zelf was het stil. David twijfelde. Hij geloofde thuis ook niet in het geklets van paranormalen. Waarom hier dan wel?

“Ach... Baat het niet dan schaadt het niet,” zei David hardop en klopte op de deur.

“Binnen,” klonk een zachte stem vanachter de deur.

David strekte zijn arm uit om de deur te openen, maar voordat hij de deurknop kon aanraken zwaaide deze vanzelf open. Een luid geknars klonk uit de roestige scharnieren van de deur. David keek naar binnen. Tegen zijn verwachting in hingen er geen blauwe gordijnen met gele zonnen en sterren, stond er geen tafel met een glazen bol erop en was de ziener geen oude lelijke vrouw gekleed in een zigeunerjurk met een grote wrat op haar neus. Het huis zag er eenvoudig uit en scheelde niet veel van inrichting met het huis van Hertha en Janos. De lokale timmerman was niet erg creatief, want David zag precies dezelfde stoelen en tafel staan. Een gehaakt kleed lag over de houten tafel. Op de tafel stonden twee dampende mokken. De ziener, David schatte haar een jaar of dertig, zat in één van de stoelen aan de tafel. Haar bruine haar hing los over haar schouders. Zeker geen oude vrouw met een grote wrat op haar neus, ze was zeer aantrekkelijk. Nee, niet aantrekkelijk, gewoon mooi. Met haar felblauwe ogen keek ze hem aan en glimlachte. David voelde zijn gezicht rood worden.

“Ga zitten,” zei de ziener. David nam plaats in een van de stoelen tegenover haar, “neem wat thee.”

Hij nam een mok van de tafel en nam een slok. De thee was zoet met een scheut melk, precies zoals hij hem lekker vond.

“Ik…” begon David, maar de vrouw hield haar wijsvinger voor haar mond.

“Ssstt, laat mij beginnen zodat je niet twijfelt aan mijn gaven.”

“Mijn naam is Karia. Ik ben een ziener, maar dat wist je al, anders was je hier niet gekomen. Jouw naam is David. Je komt van een andere wereld. Een wereld die zich in de afgelopen weken, sinds je komst naar Mythia, in mijn dromen heeft laten zien. Je bent hier omdat iemand uit Mythia je iets heeft gegeven, een ketting.”

David pakte de ketting onder zijn shirt vandaan en liet hem voor zijn gezicht hangen. Karia keek ernaar, knikte en nam een slok van haar eigen thee.

“Inderdaad die ketting. De ketting in je handen heeft magische krachten. Hij behoort aan Zacharias.”

David dacht aan de man die voor de tram had gelegen.

“De man aan wie je denkt is inderdaad Zacharias.”

Karia zag de verschrikte blik in David’s ogen, “wees gerust, ik kan geen gedachten lezen, ik vang alleen af en toe beelden op.”

Karia glimlachte even, maar trok snel weer een serieus gezicht, “de ketting heeft ook de kracht om je weer thuis te brengen.”

“Hoe?” vroeg David.

“Dat weet ik niet. De ketting heeft een eigen wil. De drager heeft weinig controle over de magie in de ketting. Ik denk dat als de ketting vindt dat het tijd is om te gaan, je ineens weer thuis bent.”

“Dus totdat de ketting zin heeft om me weer terug te sturen zit ik hier vast? Waarom?” David dronk het laatste restje thee uit de mok en plaatste deze weer terug op de tafel.

“De precieze reden kan ik je niet vertellen, niet omdat ik niet wil, maar omdat ik het niet weet. Ik kan je wel vertellen wat ik gedroomd heb.”

David ging op de punt van zijn stoel zitten. Zijn twijfels over de krachten van de ziener waren verdwenen als sneeuw voor de zon en zijn nieuwsgierigheid was gewekt.

“In mijn droom pakken donkere wolken zich samen boven Mythia. Een bliksemflits verlicht de donkere hemel en treft een boom in de tuin van het paleis van de koningin. De boom splijt en uit de verkoolde en versplinterde stukken rijst een donkere figuur. Ik kan zijn gezicht niet zien. Ik sta zelf in de tuin, maar de figuur ziet mij niet. Alsof ik een onzichtbare toeschouwer ben. Hij loopt langs me het paleis in en ik volg hem. In de grote hal staan alle bedienden in een rij, hun gezichten strak, hun ogen levenloos. Als de figuur langsloopt buigen ze één voor één hun hoofd. Aan het einde van de hal staan twee witte doodskisten. De kisten zijn versierd met witte rozen. De donkere figuur zakt door zijn knieën voor de kisten en buigt zelf zijn hoofd. Zijn schouders schokken, waardoor het lijkt alsof hij huilt. Ik loop, onopgemerkt door de figuur of de bedienden naar de kisten. In de ene kist ligt de koningin, haar ogen gesloten, haar gezicht wit van het poeder dat de doodgraver heeft gebruikt. Ik loop naar de andere kist en zie de dochter van de koningin liggen. Haar ogen zijn niet dicht, maar open en zeer levend. Zij ziet me wel en kijkt me met angstige ogen aan. De grond begint onder mijn voeten te trillen en opent zich onder de kisten. Langzaam zakken ze weg in een donker gat. De prinses gilt, maar ik ben de enige die haar hoort en het laatste wat ik zie zijn haar lippen die de woorden ‘help me’ vormen. Dan is ze weg. De grond sluit zich weer en even later is het alsof de kisten er nooit geweest zijn. De duistere figuur staat op en draait zich naar de bedienden. Een gelach stijgt op in de hal. Ik besef dat de figuur voor me niet huilde bij de kisten. Hij heft zijn armen op en de maniakale lach galmt door het paleis. Een zwarte vlek vormt zich bij zijn voeten en spreidt zich over de paleisvloer als een olievlek. Als de vlek de bedienden bereikt smelten zij en worden ze één met de vlek. De vlek breidt zich verder uit totdat het hele paleis zwart is. Daarna trekt hij naar buiten. Ik volg de vlek en laat de lachende figuur achter me. Buiten is alles al zwart, ik kan de randen van het zwart niet eens meer zien, maar ik weet dat de vlek door heel Mythia zal trekken. Ik voel iets langs mijn been omhoog kruipen en kijk naar beneden. De vlek tast zelfs mij aan. Mijn voeten zijn al zwart. Ik val en sluit mijn ogen in afwachting van de duisternis die mij zal overspoelen. Maar in het duister begint iets te schijnen. Zelfs door mijn oogleden heen kan ik het zien. Een blauw licht, feller dan de zon komt op mij af. Waar het licht komt, verdwijnt het zwart. Ik probeer in het licht te kijken. Met mijn hand zorg ik ervoor dat het licht mijn ogen geen pijn doet. In het licht zie ik het figuur van een jongen. Aan de linkerkant van de jongen zie ik de vorm van een man, in zijn hand draagt hij een zwaard. Aan de rechterkant loopt een nog grotere vorm. Geen mens, zelfs met het felle licht zie ik de vacht op zijn lichaam. Boven het licht zweeft iets. Het blauwe licht weerkaatst op de snel bewegende vleugels. De figuren komen op mij af en als ik weer naar mijn benen kijk is het zwart verdwenen. Alles dat door het licht geraakt wordt, wordt weer normaal. Het blauwe licht zorgt ervoor dat ik me vredig en kalm voel. Dan word ik wakker.”

David leunde peinzend naar achteren in zijn stoel. De harige vorm, zou dat het beest kunnen zijn dat hij in de bossen was tegengekomen? En het figuurtje met de snel bewegende vleugels? Het elfje misschien, Laika, maar wie is dan de laatste?

“Wat betekent het allemaal?” vroeg David.

“Ik denk dat de koningin en haar dochter in gevaar zijn, in levensgevaar zelfs. De duistere figuur in mijn droom wil de macht over Mythia krijgen en als hij aan de macht komt zal een donkere tijd aanbreken. De vier figuren in het blauwe licht, waarvan jij er een bent, zijn misschien Mythia’s laatste kans om het gevaar te stoppen.”

“Waarom waarschuwt u de koningin en de prinses niet direct?” vroeg David.

“Mijn visioenen zijn altijd heel duidelijk, hoewel niet altijd te begrijpen. Het gevaar kan alleen door de figuren in mijn visioen worden afgeweerd. Een andere weg zal onherroepelijk leiden tot falen.”

“Leiden tot falen?” zei David, “alsof ik niet kan falen.”

“Daar gaat het niet om,” zei Karia, “als een ander pad genomen wordt kan het bijvoorbeeld zijn dat bepaalde gevaren niet ontdekt worden en dat deze later weer voor een situatie zorgen die misschien nog gevaarlijker is, dan de situatie die je dacht onder controle te hebben.”

“Maar wat wordt er dan precies van mij verwacht?” vroeg David.

“Dat moet je zelf zien uit te vinden, ik kan je niet op alles een antwoord geven. Thee?”

“Wat?” David’s gedachten tolden door zijn hoofd en hij hoorde het laatste nauwelijks.

“Of je nog thee wilt,” herhaalde Karia.

“Ja, lekker.”

“Ik heb maar één advies voor je,”zei Karia terwijl ze de mok vulde, “zoek de drie andere figuren in mijn droom. De rest zal vanzelf duidelijk worden.”

“En als het niet duidelijk wordt?”

“Dan vrees ik het ergste.”

Karia vroeg David om te blijven, nadat ze hem verteld had dat hij nog wel even de tijd had. Ze voelde dat de figuur met het zwaard, hoewel ze niet kon zien wie het was, nog druk bezig was. Als hij nu weg zou gaan zou hij de man niet ontmoeten. David en Karia spraken nog veel die avond, maar niet meer over de droom. Zij kon hem weinig meer vertellen dan ze al had gedaan. Hij besloot te blijven. Waar kon hij anders heen? Het begon een gewoonte te worden om bij totale vreemden te slapen. In ieder geval zat hij droog en zou hij niet verhongeren. David vroeg zich af wat hem nog te wachten stond.

 

 

Hoofdstuk 20

 

Het duurde drie dagen eer de wachters in Loura waren. In de vroege ochtenduren kwamen ze het dorp binnenrijden. Nadat ze eerst de koningin hadden bezocht, lieten ze eerst hun paarden rusten. De schuilplaats was niet ver bij Loura vandaan, maar toch nog ver genoeg, dus konden ze niet meteen vertrekken. Tegen de middag spande de koetsier de paarden weer in en na een hartelijk afscheid van de baas van de taveerne gingen Myra en Istia op weg. Dit keer onder zware bewaking. Drie wachters reden voor de koets uit, drie erachteraan. Het laatste deel van de reis verliep zonder problemen. De rovers lieten zich niet meer zien. Of ze er niet meer waren, of dat ze afgeschrikt werden door de wachters, wist Myra niet, maar ze was al lang blij dat er niets vervelends gebeurde. Het begon al te schemeren toen ze bij hun schuilplaats aankwamen.

De schuilplaats was een oud gevangenisgebouw dat aan de grens met het Woeste Land lag. In vroeger tijden werden verbannen gevangenen tot aan de tijd dat ze uit Mythia moesten vertrekken in de gevangenis opgesloten. Dit gebeurde al jaren niet meer en op last van raadsman Palin was de gevangenis omgebouwd tot een plaats waar gewoond kon worden. Hoewel de tralies nog steeds in de ramen en deurkozijnen zaten, was binnen niet meer te zien dat het ooit een kale grauwe gevangenis was geweest. De koude stenen vloeren waren bedekt met grote warme kleden. Muren waren weggebroken zodat een grote ruimte, met stoelen, banken en zelfs een open haard, was ontstaan waar in luxe geleefd kon worden. De grootste cellen had men laten staan, maar de ijzeren deuren waren vervangen door mooie bewerkte houten deuren en in iedere kamer stond een gigantisch bed. Alles was voorbereid op de komst van een vluchtende koning of koningin. De keuken van de gevangenis was gelijk gebleven, de voorraad niet. De verbannen gevangenen hadden niet veel meer gekregen dan droog brood, water en af en toe een kopje soep, dat nog het meest smaakte naar opgewarmd water. Nu lag er vlees, vis, groenten, brood en wijn. Onder de grootste geheimhouding was een kok uit een nabijgelegen dorp gehaald om te koken voor de koningin. Hij was al dagen bezig in de gevangenis. Vlees kon niet zo lang bewaard worden, maar voor de eerste twee avonden was er voldoende. Levend vee als kippen, koeien en varkens zouden later nog naar de gevangenis gebracht worden.

Omdat de gevangenis op de grens van Mythia en het Woeste Land lag, wisten maar heel weinig mensen van het bestaan van de gevangenis af. De wachters, allemaal zorgvuldig door raadsman Palin uitgezocht keken hun ogen uit. Rood fluwelen gordijnen hingen voor de ramen. Het koninklijke wapen, een draak die beschermend over het paleis van de koning stond, hing boven de schouw van de open haard. Een grote eettafel stond in het midden van de grote kamer, gedekt en wel. Terwijl ze zich stonden te vergapen aan de weelde kwam een bediende, die samen met de kok was binnengehaald, melden dat het eten gereed was. Myra kon wel wat voedsel gebruiken. De afgelopen dagen waren daarom een aanslag geweest op haar zenuwen en ze had weinig gegeten. Met deze groep wachters voelde ze zich veilig. Myra schoof aan het hoofd van de tafel. Istia ging aan haar rechterzijde zitten. De wachters en de koetsier trokken zich terug in de keuken om daar te eten.

Istia nam haar nieuwe woning op. De achtervolging door de rovers had ze diep weggestopt, ze wilde er niet meer aan denken. Het bebloede gezicht van haar moeder vlak na de achtervolging had haar diep geschokt en meerdere malen in de nacht werd ze gillend en badend in het zweet wakker van nachtmerries. Ze kon zich dan niet herinneren wat ze precies had gedroomd, maar na de nachtmerrie was er altijd dat onbestemde enge gevoel, alsof er ieder moment iets vreselijks kon gebeuren. Ze had het al eerder meegemaakt. Vlak na de dood van haar vader had ze ook steeds enge dromen. Ze had vreselijk naar haar moeder verlangd, maar die had geen tijd voor haar. Istia had zich afgevraagd of haar moeder dacht dat het haar schuld was dat haar vader dood was. Zacharias had haar uiteindelijk geholpen. Had haar leren begrijpen hoeveel verdriet haar moeder had. Had haar verteld dat haar moeder niet dacht dat het Istia’s schuld was. Maar het was wel moeilijk. Soms verlangde ze zo naar de armen van haar moeder om haar heen, maar het gebeurde niet. Hoe lang was het al geleden dat haar moeder gelachen had? Hoe lang was het al geleden dat ze echt met haar moeder gepraat had? Ze wist het niet. Istia wist niet eens meer wat ze tegen haar moeder zou moeten zeggen. Het was net of ze geen moeder meer had, of ze met een totale vreemde leefde. Alles was veranderd na de dood van haar vader. Istia was zo blij geweest dat ze Zacharias had en nu was zelfs hij er niet meer. Haar moeder had haar in Loura eindelijk verteld waarom ze uit het paleis gevlucht waren. Zacharias had zich aangesloten bij de bannelingen in het Woeste Land. Ze kon het niet geloven, wilde het niet geloven. Ze miste hem nog steeds. Zeker nu. Zeker hier. Ondanks de moeite die gedaan was om de gevangenis gezellig te maken vond ze het een koude, lege plaats. Een rilling liep over haar rug. Ze wilde terug naar het paleis, verlangde naar de tuin met al zijn bloemen, verlangde naar Zacharias. In stilte at ze haar diner.

 

 

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |