Hoofdstuk 21

 

De dagen kropen voorbij. In Loura leerde David dat het leven van een ziener erg druk bezet was. Vanuit de verre omtrek kwamen mensen naar Karia om hun toekomst te laten voorspellen. Ondanks de toestroom van mensen bleek Karia niet rijk te zijn. David had ernaar gevraagd tijdens één van de avondmaaltijden en had een duidelijk antwoord gekregen.

“Mijn gaven zijn niet bedoeld voor zelfverrijking, maar om mensen te helpen. Wat ik nodig heb krijg ik van de mensen die ik geholpen heb.”

En inderdaad, Karia hoefde nooit te betalen als ze iets op de markt haalde. De melkboer bezorgde iedere dag een verse fles melk bij haar. Kaas en brood haalde ze op de boerderijen van de mensen die ze hielp en als ze nieuwe stof of kleding nodig had, werd dat voor haar verzorgd. Maar ze nam nooit te veel. Karia nam van de mensen wat ze nodig had en niet meer. Overdag, als zij de mensen ontving, zorgde David dat hij weg was. Privacy was erg belangrijk. Hij verkende de straten van Loura en de bossen in de omgeving, bezocht meer dan eens de markt en begon zich langzaam maar zeker stierlijk te vervelen.

 

Boven op de daken van Loura was nog iemand die danig verveeld de weken aan haar voorbij zag trekken.

“Ik moet eerlijk toegeven dat ik iets meer actie verwacht had,” zei Laika tegen Oeroe, die uitgebreid zijn veren zat te poetsen en haar geklaag negeerde.

“Alles is beter dan dit!” Laika geeuwde en keek weer naar de deur van de ziener. De jongen was na een dag stappen in Loura weer thuis en het beloofde een lange nacht te worden. Ze stond op en strekte haar armen, benen en vleugels.

“Dit is toch niet normaal? Avontuur! De grote gevaarlijke buitenwereld! Ik wil wat doen!”

Oeroe keek op, “geduld Laika, als mijn gevoelens correct zijn staat er nog een hoop te gebeuren.”

“Ik hoop het,” zei Laika geërgerd.

“Kijk maar uit wat je wenst, het zou nog wel eens kunnen uitkomen,” zei Oeroe en spuugde een losgekomen veer uit, die langzaam naar de grond dwarrelde.

Laika keek omhoog. Wolken kropen langs de hemel en verduisterden de maan.

“Geweldig, nu kunnen we ook al niets meer zien.”

“Daar heb ik weinig last van,” grapte Oeroe, maar ging snel weer verder met zijn veren poetsen nadat hij de blik in Laika’s ogen had gezien.

 

Wolken kropen langs de hemel en verduisterden de maan. Dat was goed. Het gaf Karos en zijn mannen de gelegenheid om onopgemerkt bij de oude gevangenis te komen. Ze hadden eindelijk bericht gekregen dat het plan kon beginnen. Karos kende de gevangenis van binnen op zijn duimpje, hij had er zelf een tijd gezeten. Hij had besloten om door de achterdeur naar binnen te komen. Een verrassingsaanval was altijd het beste.

“Hé! Je trapt op m’n hielen!” Het werd zo hard gezegd dat een aantal vogels, die in de bomen om de gevangenis hadden zitten slapen, schrok en opvloog.

Karos draaide zich om en siste tussen zijn tanden: “als jullie niet ophouden, zal ik eens op wat hielen trappen.”

De groep kroop stilte langs de muur richting de achterdeur. Karos spitste zijn oren en luisterde of hij een geluid hoorde dat erop wees dat er een wachter in de buurt was. Behalve de ademhaling van zijn mannen, het gekraak van hun voeten op de bosgrond, en het geluid van de wind die de bladeren van de bomen deed ruizen, hoorde hij niets. Hij wenkte naar zijn mannen om hem te volgen. Karos stopte onder een raam in de muur van de gevangenis en keek naar binnen. Een wachter liep dicht langs het raam en Karos dook ineen om niet gezien te worden. Voorzichtig kwam hij omhoog en keek weer door het raam. De wachter was doorgelopen en stond rustig met een andere wachter te praten. Niets aan de hand. Karos zag drie wachters. De twee die stonden te praten en een, die in de verre hoek tegen de muur geleund stond. De koningin zag hij niet. Hij wist dat er zes wachters in totaal waren. Twee bewaakten waarschijnlijk de ingang van de gevangenis. Eén bij de achteringang van de gevangenis. Karos gebaarde naar zijn mannen om verder te gaan.

Zonder veel problemen werd de achterdeur bereikt.

“Iedereen weet wat hij moet doen?” vroeg Karos fluisterend. De mannen knikten. Karos gaf het teken.

Tholas ging voor de achterdeur zitten en krabbelde met zijn nagels zachtjes aan de deur.

 

 

Hoofdstuk 22

 

Omdat ze nauwelijks contact had met haar moeder, bracht Istia veel tijd door met de wachters. Eén van de wachters, Darin, een jongen van achttien jaar, mocht Istia het meest. In haar ogen was hij al een hele man en ze raakten niet uitgesproken over de spannende avonturen van een wachter. Darin vertelde haar maar niet dat de meeste avonturen die hij vertelde verzonnen waren en dat het werkelijke wachterleven een stuk saaier was dan iedereen dacht. Istia zocht hem ieder vrij moment van de dag op om zo de tijd wat te doden. Darin vond het niet erg, hij verveelde zich kapot in de oude gevangenis. Nu stonden ze samen in de keuken. Darin had dienst bij de achteringang van de gevangenis.

“En toen?” vroeg Istia die op de keukentafel zat. Met haar handen plat op de rand van de tafel ondersteunde ze haar bovenlichaam. Haar benen zwaaiden onder de tafel heen en weer.

“Verdween hij in een blauw licht, we hebben hem daarna niet meer gezien.”

Istia was erachter gekomen dat Darin in de opsporingsgroep zat die achter Zacharias aanging toen hij ontsnapte.

“Hij verdween in een blauw licht?”

“Ja ik kan het ook niet anders uitleggen.” Darin besefte, dat dit het eerste verhaal was dat niet volledig of gedeeltelijk uit zijn duim gezogen was.

“En daarna? Wat gebeurde er daarna?”

“Niet veel eigenlijk. Nou ja, behalve dan dat sergeant Tores in de gevangenis is gegooid voor het niet volbrengen van zijn taak.”

Het was even stil.

“Ik ken Zacharias,” zei Istia “hij zou nooit iemand kwaad kunnen doen.”

Darin wilde gaan zeggen dat het niet aan hen was om te besluiten of Zacharias schuldig was of niet, maar werd onderbroken door een zacht gekrabbel aan de achterdeur. Istia en Darin keken allebei tegelijk naar de deur.

“Waarschijnlijk een wasbeer,”zei Darin, “het barst van die beesten in het bos en ze zijn niet bang voor mensen. Ze zullen wel gezien hebben dat er weer wat te halen valt in deze gevangenis.”

Hij lachte naar Istia, “zullen we hem binnenlaten?”

Istia knikte, ze had nog nooit een wasbeer gezien.

Darin schoof de schuif van de deur en duwde de deurhendel naar beneden. Met een klap vloog de deur open. Door de kracht werd hij naar achteren geworpen en raakte de tegenoverliggende muur met zijn rug en achterhoofd. Hij bleef stil liggen. De deur was na de klap weer dichtgeslagen. Istia staarde naar de bewusteloze wachter. De deurhendel draaide weer langzaam naar beneden. Geen wasbeer. Misschien waren de rovers teruggekomen? Istia sprong van de keukentafel en dook eronder. Ze kroop zo ver mogelijk weg. De buitendeur vloog open. Mannen kwamen de keuken in. Modderige laarzen bevuilden de keukenvloer.

“Onthoud! Geen doden!” hoorde ze een stem fluisteren.

Vanonder de tafel zag ze alleen de benen van de mannen. Ze hield haar adem in. Als één van hen besloot op zijn knieën te zakken kon hij haar makkelijk zien. De benen stopten bij de bewusteloze wachter.

“Dat is één,” zei een stem, “nog vijf te gaan. Andreas, ga kijken of de kust veilig is.”

Istia zag één paar benen richting de deur naar de grote hal lopen. Ze verschoof iets onder de tafel zodat ze kon zien wat er gebeurde. De man stak zijn hoofd door de opening en keek voorzichtig de hal in, daarna wenkte hij de anderen. Eén voor één verlieten de mannen de keuken. Istia had geen idee wat ze van plan waren, maar na wat ze met Darin hadden gedaan nam ze geen enkel risico. Buiten de gevangenis zou ze veiliger zijn. De bossen waren donker en er waren genoeg plekken om je te verstoppen. Ze kwam voorzichtig onder de tafel vandaan en liep naar de open deur.

“Hé! Staan blijven!”

Haar hart sprong in haar keel. Istia draaide zich op haar hielen om en staarde naar de man in de deuropening. Hij hield een groot mes in zijn hand. Met een gil van schrik rende ze de deur uit, de koele avondlucht in. Ze greep de deur vast terwijl ze er langs rende en trok hem achter haar dicht. Er klonk een luide klap en een vloek. Ondanks haar angst grinnikte ze zachtjes. Net goed! Het leverde haar in ieder geval weer een paar seconden voorsprong op, maar ze wist dat ze aan een paar seconden voorsprong niet genoeg had. Zo hard als ze kon rende ze de bossen in. De man had de achtervolging ingezet, schreeuwde dat ze stil moest blijven staan. Als hij dacht dat ze daar naar zou luisteren was hij echt enorm dom. Istia rende tussen de bomen door. Als prinses had ze niet zoveel lichamelijke beweging, dat was niet netjes, en dus voelden haar longen al snel aan alsof ze in brand stonden. Een felle steek in haar zij deed de tranen in haar ogen springen. Achter haar hoorde ze krakende takken en knisperende bladeren. Hij was ouder, sneller, fitter. Istia durfde niet om te kijken uit angst dat ze zou struikelen en vallen. Als ze viel was ze zeker verloren. Ze keek vluchtig om haar heen. Het was pikdonker in het bos. Dat was een voordeel. Waarschijnlijk kon haar achtervolger haar in het donker moeilijk zien. Istia maakte een scherpe bocht naar links en rende door. Ze waagde een blik over haar schouders. Ze hoorde niets meer. Achter haar zag ze ook niemand. Een laaghangende tak maakte een abrupt einde aan haar vlucht. De tak raakte haar vol op haar buik en sloeg alle lucht uit haar longen. Happend naar adem zakte ze op de grond. Aan haar rechterkant hoorde ze haar achtervolger al weer naderen. Hij was er blijkbaar achtergekomen dat Istia een andere kant op was gegaan, of hij had de klap gehoord. Ze krabbelde overeind en begon weer te lopen. Haar buik deed behoorlijk pijn. Rennen zat er niet meer in. Dom, dom, dom. Ze had nooit achterom moeten kijken. Ze hobbelde tussen de bomen door. Stopte. Het geluid van haar achtervolger was nu heel dichtbij. Ieder moment zou hij tussen de bomen door komen en haar zien. In de struiken naast haar ritselde iets. Ze keek opzij. Een hand schoot uit de bladeren, greep Istia bij haar vest en trok haar de struiken in. Ze voelde hoe een andere hand zich over haar mond sloot en haar schreeuw verstomde.

“Sttttt, goed volk,” fluisterde een stem in haar oor.

De stem kalmeerde haar en Istia verzette zich niet meer tegen de handen die haar vasthielden. Vanuit de struiken zag ze haar achtervolger langs lopen. Ze had geluk dat het zo donker was. Hij zag haar niet. De man bleef op een paar meter van de struiken stilstaan en keek om zich heen. Istia hield haar adem in en voelde dat de persoon die haar vasthad hetzelfde deed. De man kwam op de struiken aflopen. Istia trok zich verder terug tussen de veilige bladeren. Als hij nog iets dichterbij kwam zou hij haar zeker kunnen zien, maar het geluk was haar goed gezind. Ergens in het bos kraakte een tak. Haar achtervolger keek in de richting van het geluid, wierp nog een laatste wantrouwige blik op de struiken en ging ervandoor. Istia ontspande. Ze voelde de hand van haar mond afvallen en de grip op haar vest verslappen. Ze draaide zich om en keek naar de man die haar gered had.

“Sergeant Tores, tot uw dienst prinses.”

De man salueerde en dit zag er onder de omstandigheden zo vreemd uit dat Istia de slappe lach kreeg. De spanningen van de laatste minuten kwamen er in een lange lachbui uit.

 

Sergeant Tores was na zijn ontsnapping naar de gevangenis gereden. Hij had er langer over gedaan dan normaal. Voornamelijk omdat hij zich overdag moest verbergen, voor het geval hij gezocht werd. Eenmaal aangekomen bij de oude gevangenis had hij zich verstopt in het bos. Zijn paard had hij een mep op zijn achterwerk verkocht en het dier was ervandoor gegaan. Tores wist dat het paard zijn weg terug wel kon vinden. Vanuit een bedekte plek had hij de gevangenis in de gaten gehouden. Dagen achter elkaar was er weinig gebeurd, maar Tores’ instinct had hem verteld dat er iets te gebeuren stond. Iedere nacht was hij de keuken ingekropen om wat eten te stelen, dit tot groot ongenoegen van de kok, die de wachters ervan beschuldigde de voorraad op te eten. Tores sliep weinig en als hij sliep was het maar heel kort. Hij had eerder die nacht moeite gehad om zijn ogen open te houden. In zijn schuilplaats had hij zijn ogen gesloten en was meteen in slaap gevallen. Zijn slaap was licht en stemmen deden hem wakker schrikken.

“Hé! Je trapt op m’n hielen,” hoorde hij roepen, gevolgd door het gefladder van vogels en een gefluister dat hij niet kon verstaan. Tores was binnen een seconde op de been en kroop over de grond naar de plaats waar hij de stemmen had gehoord. Zijn ogen waren gewend aan het donker en hij zag al snel de donkere figuren die langs de muur van de gevangenis kropen. Voorzichtig, zodat ze hem niet zouden zien, volgde hij ze naar de achteringang van de gevangenis. Hij zag hoe ze de gevangenis binnendrongen, maar deed niets. De overmacht was te groot. Hij was pas in actie gekomen toen de prinses de gevangenis uit kwam rennen met één van mannen op haar hielen. Tores grinnikte om de man die geraakt werd door de deur. Hij was achter de prinses aangerend. Haar plotselinge verandering van richting en de tak hadden hem tijd gegeven om bij haar in de buurt te komen. Net als Istia had hij de achtervolger horen naderen en had haar de struiken ingetrokken. Als de man hen had ontdekt zou hij hem gedood hebben, maar dit was beter. Nu ging de man terug naar zijn leider en zou hij hem vertellen dat de prinses ontsnapt was. Zo wisten ze niet, dat er een nieuwe speler in het spel was.

 

“Wat gaan we nu doen?” vroeg Istia.

“We blijven hier nog even en over een uur gaan we kijken wat er gebeurd is.”

“Maar je weet niet waar ze toe in staat zijn. We moeten terug om mijn moeder te helpen.”

Istia stond op en wilde richting de gevangenis lopen, maar sergeant Tores stopte haar.

“Het heeft geen zin. We zijn maar met zijn tweeën en er zijn zeker zes aanvallers. Dat verliezen we.”

Istia schudde haar hoofd, maar haar ogen zeiden dat ze de strijd al had opgegeven. Sergeant Tores sloeg een arm om Istia’s schouders.

“We kunnen nu misschien niets doen, maar dat komt nog wel. Die mannen weten niet wie ze voor zich hebben.”

Istia en de sergeant wachtten een uur en liepen daarna voorzichtig terug naar de gevangenis. De sergeant vertelde Istia dat ze achter hem moest blijven. Als ze de mannen tegenkwamen had hij haar de instructie gegeven zo hard mogelijk weg te rennen. Er was maar één reden te bedenken waarom de mannen de gevangenis hadden betreden: de koningin gevangen nemen en dat betekende dat ze ook achter de prinses aan zaten. Tores moest koste wat kost vermijden dat ze Istia ook te pakken zouden krijgen. Hij liep door de achterdeur de gevangenis in, de keuken door en duwde de deur naar de hal met zijn voet op een kier. De grote hal was leeg. Geen teken van leven. Tores opende de deur helemaal en stapte de hal in. Gebroken glazen, borden en kopjes lagen over de grond. Omgetrapte tafels en stoelen wezen op een gevecht tussen de wachters en de indringers. Hij keek rond, maar zag geen teken van de wachters of de koningin. Istia stond stil achter hem en staarde naar de ravage.

“Waar is iedereen?” vroeg ze zachtjes.

“Ik weet het niet,” zei Tores

Hij zette een stoel overeind en ging zitten. Istia liep langzaam tussen de rotzooi door. Ze draaide zich naar de sergeant.

“Ze kunnen toch niet iedereen meegenomen hebben? Er waren zes wachters en zes indringers, dat zou veel te gevaarlijk voor ze zijn.”

Tores veerde overeind. De prinses had gelijk. Ze zouden de wachters nooit meenemen. Hij liep de hal uit naar de enige overgebleven celblokken en keek naar binnen. Leeg. Misschien hadden ze toch iedereen meegenomen. Een gil klonk uit de hal. Tores rende terug.

“Wat is er?”

“Er klonk een klap achter die deur,” zei Istia.

Het was de deur van de voorraadkast. Voorzichtig liep hij naar de deur en trok hem open. Zeven paar ogen knipperden in het licht. De wachters en de koetsier zaten in de kast. Hun handen en benen waren vastgebonden met touw en hun monden waren gekneveld met doeken.

Een paar minuten later stonden ze allemaal om Tores heen en wreven over hun pijnlijke polsen.

“Sergeant. Wat doet u hier?”

“Ik had niet zoveel zin meer om in de gevangenis te blijven.”

“Dan bent u van de regen in de drup terechtgekomen,” grapte Darin.

Sergeant Tores lachte niet. Hij had geen tijd voor onzin en begon meteen te praten, “dit is de situatie heren. Voor zover ik kan zien is de koningin weg, de koets is ook weg. Ik kon de prinses nog net op tijd uit de handen van het tuig houden. We weten niet waar de mannen heen zijn gegaan en we hebben geen mogelijkheid om hulp van buiten af in te roepen.”

“Wat is het plan sergeant?” vroeg één van de wachters.

Sergeant Tores had geen idee. In de drukte had hij nog niet de tijd gehad een plan te bedenken.

Een jonge stem klonk in de stilte die viel, “we moeten terug naar het paleis. Raadsman Palin moet weten wat er gebeurd is.”

Alle hoofden draaiden naar Istia.

Sergeant Tores glimlachte, “dat is een goed idee prinses.”

Tores richtte zich weer tot de mannen, “dit is wat we gaan doen. Jullie begeleiden Istia terug naar het paleis. Loura is hier niet zover vandaan. In Loura kunnen jullie als leden van de koninklijke wacht wel een paar paarden regelen. Wat er ook gebeurt, het welzijn van de prinses gaat voor.”

“Wat gaat u doen sergeant?” vroeg Darin.

“Ik ben een ontsnapte gevangene en ik wil nog niet gepakt worden. Voorlopig ben ik niet in de buurt van het paleis te vinden. Ik ga uitzoeken waar ze de koningin vasthouden.”

Sergeant Tores stond in de hoofdingang van de gevangenis en keek naar de vertrekkende wachters. Istia keek om en zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug. Het was tijd om iets te gaan doen. Zijn voorgevoel was goed geweest. Er was iets vreselijks gebeurd. Hij liep terug de gevangenis in op zoek naar een wapen. Hij zou het nodig hebben als hij het tuig vond dat de koningin had ontvoerd.

 

 

Hoofdstuk 23

 

David wandelde voor de zoveelste keer door de straten van Loura. De dag ervoor was er markt geweest en de straten lagen nog bezaaid met hooi, stro en uitwerpselen van al het vee dat naar de markt geloodst was. Een paar mannen waren druk bezig om de straten weer schoon te krijgen. David groette ze. Hij was op weg naar de bakker om daar een brood op te halen, dat speciaal voor Karia klaarlag. Zo langzamerhand kende hij al flink wat mensen in Loura. Om vervelende vragen te vermijden had Karia het verhaal verzonnen dat David haar neefje was en tijdelijk bij haar logeerde. Het verhaal werd zonder meer geloofd.

Voor het eerst sinds hij in Mythia was, regende het. Geen pijpenstelen, maar een miezerige regen die verkoelend werkte. Het was nog altijd zomers warm. De bakker was gevestigd aan de rand van Loura, zodat David bijna het hele dorp doormoest. De weg naar de bakker leidde hem in ieder geval langs de stallen, waar altijd een aantal paarden beschikbaar waren voor de lokale wacht. Karia had nog wat wortels over van de vorige dag en had hem gevraagd deze aan de paarden te voeren. Het leukste van het voeren was dat de paarden, ook niet dom, meestal al ongeduldig begonnen te trappelen als ze hem aan zagen komen. Het gaf hem het idee dat hij toch nog van enig nut was en hij verheugde zich er al de hele ochtend op. Eenmaal bij de stal besefte David al snel dat de paarden hun wortels die dag zouden moeten missen. Het was er een drukte van jewelste. Soldaten, tenminste, David dacht dat het soldaten waren, waren bezig om de paarden op te zadelen. Hij stopte de wortels weg en wandelde de stal voorbij. Hij merkte dat één van de soldaten stopte met het vastmaken van de riemen en hem een bedenkelijke blik gaf. Met een meer dan ongemakkelijk gevoel ging David sneller lopen. Hij was al die tijd al erg voorzichtig geweest dat mensen er niet achter kwamen dat hij van een andere wereld kwam. Volgens Karia kon hij alleen iets betekenen als niemand wist wie hij precies was. Straks hielden de soldaten hem aan. Een paar vervelende vragen en wie weet wat er dan zou gebeuren? David hield zijn hoofd omlaag en zijn ogen op de grond gericht en stapte stevig door.

Eén van de paarden die David aan had zien komen met de wortels en zich nu afvroeg waarom hij doorliep, hinnikte zachtjes. Onwillekeurig keek David om en merkte niet dat voor hem een meisje uit één van de open deuren van de stal stapte. Hij kwam hard met haar in aanraking, struikelde en trok haar in zijn val mee naar de grond. David staarde in het gezicht van het meisje waar hij bovenop lag.

“Sorry,” stamelde hij.

“Ga van me af!” zei het meisje met een kwade blik in haar ogen.

Een soldaat kwam aanrennen, greep hem bij zijn kraag en trok hem van het meisje af. David probeerde zich los te trekken.

“Het was een ongelukje,” riep hij, “ik kon er niks aan doen.”

Hij keek naar het meisje, dat ondertussen overeind was gekomen en het zand van haar kleding af klopte.

“Ogen naar de grond knul. Niemand kijkt naar de prinses van Mythia zonder toestemming,” zei de soldaat die hem vasthad.

David keek snel naar de grond. De prinses? Hij herinnerde zich het verhaal van Karia over de kisten. Moest hij haar niet waarschuwen? Haar vertellen wat de ziener had gedroomd?

‘Prinses...’ begon hij.

“Wegwezen, knul,” zei de soldaat en hij kreeg een harde duw in zijn rug.

David struikelde en viel languit op de grond. Met het schaamrood op de kaken krabbelde hij overeind. De zoveelste vernedering in zijn leven. De prinses bekeek het maar. Gevaar of geen gevaar. Kwaad en zonder achterom te kijken liep hij verder. Om zijn nek gaf de munt aan de ketting even een blauwe gloed af.

 

Darin keek David na, draaide zich om en liep terug naar de paarden. Het was alsof hij over een onzichtbare barrière struikelde. Hij klapte voorover en in zijn val greep hij het eerste wat hij zag, de broek van de wachter die de paarden aan het opzadelen was. Een scheurend geluid klonk en voor hij het wist lag hij op de grond. In zijn hand had hij nog steeds de broek vast. De andere wachter, zich nog niet bewust van wat er precies gebeurd was, staarde ongelovig naar zijn blote benen, gaf een gil en rende met een rood hoofd stal in. Istia, die het allemaal had gezien, barstte in lachen uit. David had er niets van gemerkt, hij was alweer een paar straten verder, op weg naar de bakker.

 

Nadat hij het brood had opgehaald liep hij nog even door de bossen. Karia was nog lang niet klaar en Loura wilde hij voorlopig niet in. Hij had geen zin de soldaten nog een keer tegen het lijf te lopen, letterlijk en figuurlijk. Het was gestopt met regenen en de zon had alles al weer bijna opgedroogd. David ging zitten op een afgebroken boomstronk langs de kant van de weg. Verveeld keek hij om zich heen.

“Zo, zitten we lekker?”

Hij herkende de stem, maar kon er geen gezicht bij herinneren. Hij zag niemand.

“Wie is daar?” vroeg hij.

“Ben je me nu al weer vergeten?”

“Achter me,” dacht hij en draaide zich om. Hij zag niets.

“Hier sukkel.”

En ineens zag hij haar op een tak die vlak voor zijn gezicht hing.

“Laika!”

“Hij kent me nog! Wat een eer,” Laika deed een verlegen meisje na door haar handen achter haar rug te houden en met haar schouders te draaien.

David lachte, “ik dacht eigenlijk dat ik je gedroomd had.’

“Hoezo?”

“Omdat niemand me hier gelooft, als ik zeg dat ik een elf gezien heb.”

“Zo hebben we het ook graag David. Mensen zijn ons meestal niet goed gezind.”

“Hoezo niet?”

“Lang verhaal. Dat vertel ik je misschien nog wel eens.”

“Nou ja. Vertel me dan maar waarom ik je hier tegenkom.”

Laika had besloten dat ze niet langer stil wilde zitten. Het was haar duidelijk geworden dat de jongen zelf geen idee had wat hij in Mythia deed, maar misschien kon hij haar wel vertellen hoe hij aan de ketting was gekomen. Ze moest open kaart spelen met David.

“Ik ben hier omdat mijn vader dat gevraagd heeft David.”

“Oh?” David trok zijn wenkbrauwen op.

“Mijn vader wilde weten hoe je aan die ketting komt. Hij zei dat de ketting niet van jou is.”

David knikte, “dat klopt en ik neem aan dat jij weet van wie hij wel is?”

Laika ging met gekruiste benen op een blad zitten.

“De ketting is van een oude man, die Zacharias heet. Hij heeft mijn vader ooit gered. Daarna heeft hij hem gevraagd om hulp als hij ooit in de problemen zou komen. Na onze eerste ontmoeting vertelde ik mijn vader van de ketting en hij wist dat er iets met Zacharias gebeurd moest zijn. Weet jij wat?”

David dacht even na. “Wat weet je nog meer?” vroeg hij aan Laika.

“Niets! Ik heb je alles verteld wat ik weet.”

David vertelde Laika hoe hij aan de ketting was gekomen en wat hij gedaan en gehoord had sinds hun laatste ontmoeting. Laika luisterde aandachtig. Nadat hij klaar was met zijn verhaal vroeg Laika: “en wat moet je nu doen?”

David haalde zijn schouders op, “ik weet het niet.”

Gekraak klonk uit de bossen en David en Laika keken allebei tegelijk naar de plek waar het geluid vandaan kwam. Laika’s ogen werden zo groot als schoteltjes. Een monster, helemaal bedekt met haar kwam uit de bossen lopen en liep recht op David af. Laika vloog op.

“Rennen David!” riep ze en maakte aanstalten om er als een speer vandoor te gaan, maar David had geen zin om weg te rennen. Het monster had bij hun eerste ontmoeting al de kans gehad om hem te doden, maar had dit niet gedaan. Sterker nog. Het beest had hem vlakbij de boerderij van Hertha en Janos afgezet. David wist ook bijna zeker dat het beest hem al weken in de gaten hield en dan die droom van Karia. Het zou hem waarschijnlijk niets doen. Hij bleef zitten en hoopte dat hij gelijk had.

 

 

Hoofdstuk 24

 

Nadat de prinses was vertrokken had Tores de sporen van de paarden en de koets vanaf de gevangenis tot aan de bergrand gevolgd. Hij had al een vermoeden toen hij de mannen de gevangenis binnen had zien dringen en dit vermoeden werd bevestigd. De mannen kwamen uit het Woeste Land. De paardensporen liepen de bergen in, wat betekende dat de mannen de koningin hadden meegenomen naar hun kamp. Tores maakte zich geen illusies. Een man alleen kon niet op tegen dat tuig. Het was al heel wat dat hij erachter was gekomen waar de koningin zich bevond. Waarom zouden ze de koningin ontvoerd hebben? Misschien om er zo voor te zorgen dat ze weer in Mythia terug konden keren, maar zelfs de bannelingen konden niet zo dom zijn om te denken dat dat zou werken. Er moest meer aan de hand zijn. Tores kon niet bedenken wat, maar hij wist één ding. Om de koningin te bevrijden had hij hulp nodig. Hij had nog een keer naar de sporen, die het pad opliepen, gekeken, en was weggelopen. De paleiswachters zouden hem kunnen helpen, maar hij kon zijn gezicht daar niet laten zien. De raadsman was geen vergevensgezinde man. Zelfs niet voor iemand die de verblijfplaats van een ontvoerde koningin wist. Hij moest terug naar het paleis om in contact te komen met de prinses. Zij zou met Palin kunnen regelen dat er een leger naar het Woeste Land werd gestuurd. Te voet zou hij er te lang over doen, maar in Loura kon hij vast wel aan een paard komen. Stelen was meer het juiste woord, aangezien hij geen Gyra had. Zelfs naar Loura zou hij nog een halve dag onderweg zijn. Tores’ maag knorde. Een hele dag zonder eten begon zijn tol te eisen. Eerst naar Loura. De koningin was belangrijker dan zijn maag.

 

“Grumble, wrnf, grfff,” het geluid kwam van Laika. David keek verbaasd om.

“Vrffff, mrwaw,” antwoordde het beest.

“Grmmm Grrrr,” Laika weer.

David had geen idee wat er aan de hand was, maar Laika zag er een stuk rustiger uit dan toen het beest voor het eerst de bossen uitkwam. Nu hij het beest eens goed bekeek, had hij ook geen idee waarom hij het bij de eerste ontmoeting eng vond. Het had een hele vriendelijke uitstraling. Na nog wat heen en weer gegrom tussen Laika en het beest werd de nieuwsgierigheid David teveel.

“Wat doe je?” vroeg hij aan Laika.

“Ik praat met hem.”

“Ok,” sinds hij in Mythia was viel hij van de ene in de andere verbazing. David besloot zich erbij neer te leggen, maar het moest niet veel gekker worden, “en wat zegt hij?”

“Zijn naam is Wonk en hij moet hier zijn,” zei Laika.

“Hoezo, hij moet hier zijn?”

Laika haalde haar schouders op, “vraagt het hem zelf. Ik krijg er verder geen zinnig woord uit.”

“En ik wel? Het enige wat ik hoor is een hoop gegorgel en gegrom!”

“Hij zegt dat hij hier moet zijn, dat is alles.”

“Nou, ja, hij is in ieder geval niet gevaarlijk.”

“Wat gaan we nu doen?” vroeg Laika.

“Ik ga terug naar de ziener, misschien weet zij wat er verder moet gebeuren. Ik heb geen idee wat jullie gaan doen,” David keek van Wonk naar Laika die allebei terugkeken met een verwachtingsvolle blik.

“Jou kan ik nog wel meenemen,” zei hij tegen Laika “maar hij valt echt teveel op.”

“Dat zien we wel als we daar aan komen,” riep Laika, “kom op we gaan!”

Laika vloog vooruit. David keek naar het beest, “ga je mee?”

“Wrrfff,” antwoordde het.

“Dat zal wel ‘ja’ betekenen,” dacht David en ging achter Laika aan.

David wist dan misschien niet wat hij moest doen, Laika wist zelf ook niet wat ze verder moest doen. Eigenlijk zou ze David mee moeten nemen naar haar vader. Die zou wel weten wat hij moest doen, maar iets vertelde haar dat het nog geen tijd was om terug te keren naar haar eigen dorp.

“Mrwff,” zei Wonk. Het eerste geluid dat uit hem kwam sinds ze weer op pad waren gegaan.

“Als je weet waar, hou ik me aanbevolen Wonk,” zei Laika.

David keek omhoog naar Laika, “wat zei hij?”

“Wonk zei: eten,” riep Laika vanuit de lucht.

“Mrwff,” zei Wonk weer. Dit maal om aan te tonen dat Laika gelijk had.

“Ik kan eigenlijk ook wel wat eten gebruiken,” zei David, “ik heb nog wat brood in deze zak zitten, en nog wat wortels, maar ik weet niet of iemand daar trek in heeft.”

Het drietal zocht een plek langs de weg uit. David verdeelde een gedeelte van het brood dat hij voor Karia had gehaald. Karia kennende was het geen probleem om het brood gedeeltelijk op te maken. Laika hoefde maar heel weinig, zodat het meeste voor Wonk en David overbleef. In stilte aten ze het brood op. David staarde naar het beest, nee, naar Wonk, die met een halve grijns en zijn aandacht volledig op het brood in zijn handen, zat te kauwen. Hij vond het ongelooflijk hoe makkelijk hij zich aanpaste. Bijna niets verbaasde hem meer. Als iemand hem een maand eerder had verteld dat er een dag zou komen dat hij op een andere wereld brood zou eten met een elf en een monster, zou hij geschaterd hebben van het lachen.

Gefladder klonk in de takken boven hun hoofd. David keek omhoog.

“Een uil,” zei David.

Laika vloog naar boven en landde op de tak naast de uil. Aan hun bewegingen kon David zien dat ze met elkaar spraken. Wonk keek eerst naar boven, het leek alsof hij aandachtig luisterde, en begon daarna onrustig om zich heen te kijken.

“Je gaat me toch niet vertellen dat jij kan verstaan waar Laika en de uil het over hebben?” vroeg David aan Wonk.

“Wrrr,” was het antwoord.

“Duidelijk,” dacht David en richtte zijn aandacht weer op het elfje en de uil.

Na een paar minuten kwam Laika naar beneden vliegen. De uil bleef op zijn tak zitten.

“Wat is er aan de hand Laika?”

“Oeroe...”

“Oeroe?”

“Ja, Oeroe, de uil,” Laika wees naar boven.

“Dat is geen erg originele naam voor een uil,” zei David.

“Hoezo niet?”

“Nou ja, Oeroe, dat is toch ook ongeveer wat ze zeggen,” David keek naar de blik van Laika, die ineens een stuk vager was geworden, en besefte dat zij geen oehoe hoorde, maar gewoon woorden als de uil sprak.

“Laat maar,” zei hij.

Laika keek hem nog even vreemd aan en ging verder, “Oeroe zegt dat er een boodschap door heel Mythia is gegaan. De koningin en haar dochter zijn ontvoerd.”

Hoewel David al dagen wist dat er zoiets stond te gebeuren was hij toch nog geschokt. Hij besefte dat hij het verhaal van Karia tot nu toe eigenlijk toch niet helemaal had geloofd. De schok maakte meteen plaats voor lichte paniek. Als dit gedeelte van Karia’s verhaal klopte, dan was zijn rol waarschijnlijk ook de waarheid en werd van hem verwacht dat hij de koningin zou redden. Hoe moest hij in vredesnaam die verwachtingen waarmaken? David voelde zich ineens misselijk.

“Gaat het?” vroeg Laika bezorgd.

David ademde een paar keer diep in, “ja, het gaat wel. Vertelde de boodschap ook wat er precies gebeurd is?”

“Nee, dat niet,” zei Laika, “maar bij de boodschap zat ook een beschrijving van de vermoedelijke dader.”

“En wat heeft dat met ons te maken?” vroeg David.

“Oeroe heeft een man gezien die precies op de vermoedelijke dader lijkt en hij komt deze kant op.”

“Wat?! Waar komt hij vandaan?”

Laika wees in de richting waar ze vandaan waren gekomen.

“We kunnen beter zorgen dat we uit zijn buurt zijn voordat hij hier is,” zei David, die weinig zin had om een gevaarlijke ontvoerder tegen te komen.

Oeroe begon te fladderen in de boom en riep iets naar Laika.

“Te laat,” zei Laika, “hij is al bijna hier, we moeten ons verstoppen.”

David en Wonk verlieten het pad en verborgen zich in de dichte struiken tussen de bomen. Laika vloog omhoog en ging naast Oeroe zitten.

Een minuut later rende een man over het pad langs de struiken waar David en Wonk verborgen zaten. David keek hem na totdat hij uit het zicht was verdwenen en kwam weer tevoorschijn.

“Is hij weg?” riep hij naar boven en Laika knikte, “mooi. Moeten we niet iemand waarschuwen dat we de ontvoerder hebben gezien?”

“Dan zullen we toch eerst terug naar Loura moeten,” zei Laika.

In de verte, uit de richting waar de man heen was gerend, klonk ineens een harde stem.

“Daar is hij! Pak hem!”

“Volgens mij hebben ze hem al te pakken,” riep David en rende in de richting van de stem. Laika volgde hem door de lucht. David merkte dat Wonk hem ook volgde, maar dan naast het pad tussen de struiken en de bomen door. Wonk verplaatste zich blijkbaar graag op een manier waarop hij zo min mogelijk door mensen gezien kon worden. De stemmen werden steeds luider en ineens zag hij ze. Drie mannen hadden de ontvoerder vast. David bleef op een afstand staan en Laika landde op zijn schouder.

“Wat gebeurt er?” fluisterde ze in zijn oor.

“Ik weet het niet.”

“Waar is de koningin?” schreeuwde één van de mannen.

“Hoe moet ik dat weten?” vroeg de ontvoerder.

De man die de vraag had gesteld sloeg de ontvoerder met de vlakke hand in het gezicht.

“Ik vraag het nog één keer, waar is de koningin?”

De munt aan de ketting om David’s nek begon te trillen. Laika merkte het ook.

“Waarom trilt hij?” vroeg David.

“Misschien wil de ketting dat je iets doet,” zei Laika, haar ogen op de trillende munt.

“Iets doen? Tegen die mannen? Alleen?”

“Je vergeet iemand,” Laika wees naar een plek tussen de bomen waar de schaduw net iets donkerder was dan tussen de andere bomen.

“Moet ik iets doen?” vroeg David hardop en de munt begon harder te trillen.

“Tril één keer voor niets doen, twee keer voor wel iets doen.”

Tril, Tril.

“Wel iets doen dus,” David’s stem sloeg over van spanning. Zijn maag voelde alsof hij in een knoop zat. Voor de zoveelste keer vroeg hij zich af waar hij in verzeild was geraakt.

“Helpen jullie mee?” vroeg hij aan Laika en keek hierbij in de richting van de plek waar hij dacht dat Wonk zich bevond. Laika knikte enthousiast en uit de struiken klonk een instemmend grommetje.

Hij begon weer te lopen tot hij nog maar een klein stukje bij de mannen verwijderd was.

“Hé! Laat die man met rust!”

Vier paar ogen keken naar David.

Eén van de mannen begon te lachen.

“Zeg ukkie, ik zou maar zorgen dat ik wegkwam als ik jou was. Dit is een gevaarlijke crimineel.”

“Ik zei,” zei David met een vastberaden klank in zijn stem, “laat die man met rust.”

De man liet zijn gevangene los en liep op David af.

“En wie gaat daarvoor zorgen? Jij?” Hij bleef voor David staan en David keek omhoog naar het gezicht dat zeker een meter boven hem uit torende.

“Nee,” zei David, “ik niet, maar hij wel.”

Met zijn duim wees hij richting de bosrand en Wonk stapte in het zicht. De man voor hem wierp een blik op Wonk. Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. Zijn mond viel half open. Een lichte trilling was te zien rond zijn lip.

“Laat hem gaan,” zei David tegen de man, die geen oog meer had voor hem en alleen maar naar Wonk bleef kijken. Zonder zich om te draaien gebaarde hij naar de andere twee mannen om de ontvoerder los te laten.

“En nu wegwezen,” riep David. Laika, die op de schouder van Wonk zat fluisterde iets in zijn oor en Wonk deed een stap naar voren en liet een oerkreet horen die tussen de bomen van het bos doorgalmde.

“Rennen!” schreeuwde de man. De drie mannen gingen er als hazen vandoor. Ze lieten de ontvoerder achter. David voelde aan de ketting. De munt hing weer stil, alsof hij nooit bewogen had. De vermeende ontvoerder keek de vluchtende mannen na en draaide zich daarna naar David. Hij keek met grote ogen naar Wonk.

“Hij is niet gevaarlijk,” zei David en de man ontspande iets, “wie bent u?”

“Sergeant Tores,” zei de man, “bedankt voor de hulp.”

De sergeant draaide zich om en begon weg te lopen.

“Wacht even sergeant,” riep David, “wat is er aan de hand?”

Hij bleef staan.

“De koningin is ontvoerd en ik moet naar het paleis.”

“Volgens mijn informatie zijn de koningin én de prinses ontvoerd en bent u de dader,” zei David.

“Wat? Dat kan helemaal niet!” zei de sergeant, “de prinses was op weg naar het paleis.”

David herinnerde zich ineens wat er eerder op de dag gebeurd was.

“U heeft gelijk. Ik heb de prinses inderdaad gezien. In Loura. Vandaag.”

“Dat kan kloppen,” zei de sergeant, “de koningin is gisteren ontvoerd, ik heb de prinses uit de handen van de daders weten te houden en haar onder escorte naar het paleis gestuurd om de raadsman te laten weten wat er gebeurd is. Weet jij waar het bericht vandaan kwam?”

David keek naar Laika die op haar beurt een paar woorden wisselde met Oeroe.

“Het was een koninklijke boodschap,” zei Laika.

 

 

Hoofdstuk 25

 

Myra zat met haar rug tegen een kussen in een tent in het kamp van de bannelingen. Door het doek zag ze schaduwen van mannen die langs kwamen lopen. Het was warm, maar dat interesseerde haar niet zoveel. Door de opening in de voorkant kon ze naar buiten kijken. Buiten stond een aantal mannen te praten. De gesprekken van de mannen interesseerden haar een stuk meer dan de warmte. Nadat de ontvoerders de oude gevangenis waren binnengedrongen ontstond er een strijd met de wachters die snel afgelopen was. De wachters waren jong en onervaren en niet opgewassen tegen de veel sterkere bannelingen. Myra had gezocht naar Istia, terwijl de wachters vochten. Ze was nergens te vinden. Wanhopig had Myra zich opgesloten in de slaapkamer, maar tevergeefs. Binnen een paar minuten hadden er stemmen geklonken en na een paar harde klappen was de deur opengevlogen. Vijf mannen waren de kamer binnengekomen, hadden haar gegrepen en meegesleurd naar buiten. Buiten was ze in de koets gegooid. Eén van de mannen was bij haar gaan zitten om ervoor te zorgen dat ze niet zou ontsnappen. Het feit dat Istia niet bij haar in de koets zat kon een goed teken zijn, maar Myra kon haar ongerustheid niet van zich af zetten. Ze waren met koets en al de bergen ingegaan. De bergpaden waren niet geschikt voor zo’n gevaarte en af en toe waren de wielen gevaarlijk dicht langs de rand gerold. Myra had het niet eens gezien, haar gedachten waren bij Istia geweest.

“We hadden het al moeten doen,” hoorde ze iemand zeggen. Vanuit haar positie kon Myra zijn gezicht niet zien. Van de man die antwoordde kon ze het gezicht wel zien, zijn gezicht stemde haar niet vrolijk. Het grote litteken op zijn gezicht, de ongeschoren kin, maar vooral de koude emotieloze ogen, boezemde haar angst in.

“We doen nog helemaal niets, ik had al lang iets moeten horen.”

“Ja. Nadat we het gedaan hadden,” zei de andere man weer.

“Denk toch eens na man! Hoe kan hij nou weten of we het wel of niet gedaan hebben?” zei de man met het litteken.

Myra wist niet waar ze het over hadden, maar het betekende duidelijk niets goeds voor haar.

“Wat gaan we dan doen?” vroeg één van de andere mannen en de man met het litteken antwoordde: “we wachten.”

 

“We kunnen wachten tot het donker is en dan terug naar Loura gaan. Bij de ziener kunnen we wel eten en slapen,” zei David. De groep was van het pad afgegaan en zat in het gras op een open plek in het bos. Ze zaten al meer dan een uur te praten. Iedereen had zichzelf voorgesteld en David was onder de indruk van de sergeant die blijkbaar totaal geen moeite had met de ontdekking dat er in het bos elven en beesten leefden waarvan hij altijd had gedacht dat het verzinsels waren van fantasierijke mensen. David had kort verteld waar hij vandaan kwam. Tores had slechts een paar vragen gesteld en die betroffen voornamelijk de ketting en Zacharias, voor de rest leek hij zich ook hierover nauwelijks te verbazen. David vermoedde dat Tores nog steeds baalde dat Zacharias hem was ontsnapt en graag wilde weten hoe het precies had kunnen gebeuren. David kon hem niet veel meer vertellen, dan wat hij al wist.

“Terug naar Loura?” zei Tores, “ik weet het niet. Als het waar is, dat de raadsman denkt dat ik de koningin en de prinses ontvoerd heb, zal het daar wemelen van de wachters.”

“Oeroe kan voordat we de stad ingaan kijken of het veilig is,” opperde Laika.

“Mrrrfw,” zei Wonk.

“Wat zegt ie?” vroeg David aan Laika.

“Goed plan,” zei Laika triomfantelijk.

‘En toch is dit het vreemdste wat ik tot nu toe heb meegemaakt.’ zei Tores.

David keek hem verrast aan. Blijkbaar was de sergeant toch meer onder de indruk dan hij had laten blijken.

“Een jongen van een andere wereld, een manbeest, een elf…nee, een elf die met dieren praat.”

“Alle elven kunnen met dieren praten,” zei Laika.

Sergeant Tores keek haar aan, “ja, met alle elven die ik dagelijks tegenkom had ik dat natuurlijk moeten weten.”

“Typisch een mens,” zei Laika boos, “alleen geïnteresseerd in zijn eigen soort. Je moet eens weten wat er allemaal in Mythia rondloopt dat nog nooit gezien is door de mensen hier. Sommige soorten zijn heel goed geworden in het zich verborgen houden.”

“Kom op zeg,” zei David, “als er iemand hier een hoop vreemds gezien heeft, ben ik het wel. Trouwens we kunnen beter een plan verzinnen om ongezien Loura binnen te komen.”

Laika en Tores hielden hun mond.

“Dus,” ging David verder, “Oeroe kan vooruit gaan om te kijken of we ongezien de stad in kunnen komen. Ik weet de weg naar het huis van de ziener. Hoeven we alleen nog maar te wachten tot het donker is.”

Sergeant Tores haalde zijn schouders op, “hier blijven zitten kan in ieder geval niet.”

David keek naar Wonk, “ik weet niet of het verstandig is dat jij mee gaat. We vallen al genoeg op.”

“Mrwww?” David keek naar Laika.

“Hij vraagt wat hij dan moet doen.”

De ketting om David’s nek begon zachtjes te bewegen. En stopte.

“Ik heb geen idee. Waar slaap je normaal gesproken?”

“Wonk slaapt in grot,” zei Wonk.

“Hij zei…,” begon Laika en stopte. David’s mond hing open.

“David? Wat is er aan de hand?”

“Hij slaapt in een grot,” zei David.

Sergeant Tores keek van David naar Wonk, als hij het al vreemd vond liet hij het niet meer merken. Laika daarentegen vloog op van verbazing, “verstond je hem?”

David knikte.

“Hoe is dat mogelijk?” vroeg Laika.

David zei niets en voelde voorzichtig aan de ketting om zijn nek.

De zon ging onder en de groep begaf zich naar Loura. Na een hoop aandringen van Laika had David er mee ingestemd dat Wonk met ze mee zou gaan. De droom van Karia was uitgekomen. De sergeant was de figuur met het zwaard, dat wist hij bijna zeker, en Wonk hoorde ook bij de groep. Misschien was het helemaal niet de bedoeling dat de groep weer opgesplitst zou worden. Oeroe vloog hoog boven Loura en speurde de straten af. Na een paar minuten was hij terug bij de wachtende groep.

“En?” vroeg David.

“Er zijn niet veel mensen op straat. Er zijn wel ineens meer wachters in Loura, maar die bevinden zich momenteel aan de andere kant van het dorp, dus als jullie opschieten zouden jullie zonder problemen het huis van de ziener moeten kunnen bereiken.”

David, die onderweg naar Loura had gemerkt dat hij de uil ook verstond, vertelde wat de uil had gezegd aan Tores, die met een uitdrukkingsloos gezicht naar de conversatie tussen David en de uil had zitten luisteren. In zijn oren klonk het als een hoop ge-oehoe. Met David voorop liep de groep het dorp in. Ze zorgden ervoor dat ze dicht langs de huizen en in de schaduwen bleven. Sergeant Tores was op zijn hoede. De koningin zou weinig aan hem hebben als hij opgepakt werd. Af en toe hoorden ze een stem of voetstappen en dan doken ze in één van de vele donkere nissen in de straten van Loura. Zonder problemen kwamen ze bij het huis van de ziener. David klopte op de deur en deze zwaaide langzaam open. Wonk moest bukken om niet zijn kop te stoten tegen de deurpost. De deur sloot weer uit zichzelf achter de groep en de kamer werd pikdonker.

“Allemaal opletten,” fluisterde de sergeant.

“Jullie zijn hier veilig,” klonk een stem en op hetzelfde moment sprong een kaars aan in het midden van de kamer. De vlam verlichtte de kamer nauwelijks. Karia kwam uit de schaduwen naar voren stappen. Het kaarslicht zorgde voor diepe zwarte schaduwen op haar gezicht. Naast hem hoorde David de sergeant een paar keer diep inademen. David was blijkbaar niet de enige die haar aantrekkelijk vond. Karia liep de kamer rond en stak een aantal kaarsen aan. Bij iedere kaars werd de kamer beter verlicht. Bij het passeren van Wonk deed deze een stap achteruit.

“Bang voor vuur Wonk?” vroeg Tores.

Wonk reageerde niet en bleef gebiologeerd naar het vlammetje staren. Karia blies de vlam van de lucifer uit.

“Ik hoop dat u het niet erg vindt, maar ik wist niet waar ik anders heen moest,” zei David tegen haar.

“Erg? Ik wist dat jullie zouden komen,” zei Karia, “ga allemaal lekker zitten.”

Karia wees naar de stoelen die nog vrij waren en ging zelf in de stoel aan het hoofd van de tafel zitten. David leidde Wonk naar de stoel die er het stevigst uitzag en ging daarna zelf naast hem zitten. Tores nam plaats tegenover de ziener en Laika ging op de tafel zitten in kleermakerszit.

“Sergeant,” zei Karia, “ik voel dat u al een tijd niet heeft gegeten, kan ik u iets aanbieden?”

“Zo meteen,” zei Tores, “laten we voor nu eerst maar bespreken hoe we verder moeten.”

Karia knikte, “dat is goed.”

Ze schoof wat heen en weer in haar stoel tot ze comfortabel zat en begon, “de gebeurtenissen volgen elkaar nu in een rap tempo op. Sergeant Tores, u wordt beschuldigd van het ontvoeren van de koningin en haar dochter. Hoewel ik niet kan zien waar ze precies zijn, voel ik dat de koningin zich buiten de grenzen van Mythia bevindt. Zij is nog gezond en wel, maar haar leven is in groot gevaar. De prinses is wel in Mythia en onderweg naar het paleis.”

“Dan zou alles goed moeten komen,” zei David, “de prinses kan aan de raadsman uitleggen dat sergeant Tores niet de ontvoerder is en versterking sturen.”

“Dat denk ik niet,” zei Tores.

“Hoezo niet?”

“Ik heb er onderweg nog eens over nagedacht,” zei Tores, “de koningin is gisteren ontvoerd, de raadsman kan dat nog helemaal niet weten.”

“Maar dat zou betekenen dat….”

De sergeant keek naar David, “ja, zeg het maar.”

“Dat zou betekenen, dat de raadsman al van de ontvoering afwist.”

Sergeant Tores knikte.

“We moeten de prinses waarschuwen,” zei Laika.

“Hoe?” zei Tores, “we weten niet waar ze is. We kunnen alleen maar afwachten wat er verder gebeurt.”

Er viel een ijzige stilte in het huis van Karia. Iedereen wist dat sergeant Tores gelijk had.

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |