Hoofdstuk 26

 

Zeven paarden denderden onder de paleispoort door en stopten voor de deur van het paleis. Istia sprong van haar paard. De wachters deden hetzelfde. Ze hadden bijna dag en nacht doorgereden en waren alleen gestopt als de vermoeidheid ze te veel werd.

“Ik ga met de raadsman praten,” zei Istia tegen de wachters.

Gevolgd door de wachters liep ze de grote hal van het paleis in. Istia stopte. Er was iets mis. Darin wist wat het was.

“Waar zijn alle andere wachters?” vroeg hij.

De groep keek om zich heen. Bij de hoofdingang stonden altijd twee wachters, die waren er niet. De trap naar boven werd meestal bewaakt, maar ook deze wachtpost was leeg. Istia liep naar de trap.

“De raadsman zal wel weten wat er aan de hand is,” zei ze tegen de wachters.

“Dat weet de raadsman zeker,” Palin stond boven aan de trap en keek neer op de groep.

“Raadman Palin,” riep Istia “mijn moeder is ontvoerd, we moeten iets doen.”

“Ik weet dat je moeder ontvoerd is,” sprak Palin.

“Hoe…?” Istia viel stil. Er was maar één manier waarop Palin kon weten dat haar moeder ontvoerd was. Even wist ze niet wat ze moest doen. Ze keek naar de wachters, die verbaasd van haar naar Palin keken. Zij hadden het nog niet door. Istia ging rechtop staan, ze was nog steeds de prinses en nu haar moeder er niet was, de hoogste macht in Mythia. Ze keek kwaad naar de raadsman.

“Wachters, sluit de raadsman op,” beval Istia.

Zonder een moment te twijfelen liepen de wachters op Palin af.

“Prinses, wat denk je wel?” zei Palin met een halve glimlach op zijn gezicht en gaf een teken met zijn hand. Uit de verschillende donkere hoeken van de hal kwamen ineens twaalf mannen tevoorschijn. Met getrokken zwaarden omsingelden ze Istia en de wachters. De wachters, zelf ook niet voor een kleintje vervaard, trokken hun zwaarden. Istia zag geen winst in een hopeloze strijd. Ze beval de wachters hun wapens te laten zakken. Hun zwaarden werden door de mannen afgepakt.

“Heel verstandige keuze prinses,” zei Palin.

“Dus jij bent het al die tijd geweest,” zei Istia, “Zacharias had hier niets mee te maken.”

“Inderdaad prinses,” zei Palin, “ik heb je vader vermoord en je moeder laten ontvoeren. Hoewel het nog maar de vraag is of ze inmiddels niet bij je vader is.”

Een schok ging door Istia, “wat heb je met mijn moeder gedaan?” schreeuwde ze.

“Als ik jou was, zou ik me meer zorgen maken over wat er met jezelf gaat gebeuren,” zei Palin, een gemene speelde om zijn lippen.

 

Palin gaf nog een teken en de mannen voerden Istia en de wachters weg. Hij keek ze na totdat de groep uit het zicht was verdwenen. Hier hoefde hij zich niet persoonlijk meer mee bezig te houden. Zijn mannen hadden hun instructies. Hij liep terug naar zijn kamer. Klos zat er al en hij nam plaats achter zijn bureau en Palin.

“Alles verloopt volgens plan Klos.”

“Behalve Sergeant Tores, heer. Wat doen we met hem?”

“Sergeant Tores heeft zonder het te weten ons een manier aangereikt om de verdenking van ons af te halen. Zo herken je ware genialiteit Klos, als je van een tegenslag iets positiefs weet te maken. Sergeant Tores is nu de meest opgejaagde man in Mythia. Waarschijnlijk is hij ergens ondergedoken en het zou me verbazen als hij op dit moment niet baalt dat hij ooit ontsnapt is. Als hij nog leeft natuurlijk.”

Palin zakte achterover, vouwde zijn handen en glimlachte tevreden.

Nadat Palin per postduif bericht had ontvangen dat de koningin door Karos werd vastgehouden in het Woeste Land had hij meteen een koninklijke boodschap uit laten gaan waarin hij de sergeant beschuldigde van de ontvoering van de koningin en haar dochter en een uitgebreide beschrijving van Tores gaf. De prinses was dan wel ontsnapt en dat was een probleem, maar een niet al te groot probleem. Palin vermoedde, dat Istia terug naar het paleis zou komen voor hulp. Hij had gelijk gekregen.

 

Istia zat op de grond in de cel in de kerkers van het paleis. In al de tijd dat ze in het paleis woonde had ze niet eens geweten dat er kerkers onder het paleis waren. Aan de cellen te zien waren ze al heel oud. Op de stenen groeide mos en de deuren waren flink verrot, maar nog niet zo verrot dat Istia het hout kapot kon krijgen. De kerkers bestonden uit een aantal gangen met in iedere gang aan weerszijden drie cellen. Istia zat in de laatste gang in de middelste cel aan de rechterkant. De wachters zaten in de cel tegenover haar. De gang werd verlicht door fakkels, die een spookachtig licht in de cellen wierpen. Uit de cel van de wachters klonken stemmen.

“De deur is te stevig, Darin. We krijgen hem nooit open.”

“We moeten toch iets kunnen doen, Heros! Die smeerlap moet gestopt worden.”

“Voorlopig kunnen we niets doen, behalve wachten en alert blijven. Misschien krijgen we nog een kans.”

Istia vroeg zich af waar haar moeder was. Ze had haar niet meer gezien sinds ze ontsnapt was uit de oude gevangenis. Ontsnapt om in de handen van de vijand te lopen. Zou haar moeder nog leven? Istia beet op haar lip. Ze had niet veel contact gehad met haar moeder de laatste tijd, maar ze mistte haar toch. Ze ging op het stinkende oude bed zitten met haar hoofd in haar handen en sloot haar ogen.

 

Palin liep later die dag door de tuin van het paleis. Het was hem ter ore gekomen dat Sergeant Tores gezien was en dat hij ook bijna gepakt was. Het leven zou een stuk makkelijker worden met Tores in de gevangenis. Geholpen door een jongen en een manbeest. Palin vroeg zich af of dit wel echt gebeurd was. De mannen die hem hadden geprobeerd te pakken, konden ook verrast zijn door de sergeant, hij was immers één van de beste en sterkste wachters van de koninklijke garde, en het hele verhaal verzonnen hebben om zo hun eer te redden. Voor zover ze eer hadden natuurlijk. Voor nu ging Palin uit van het laatste. Een manbeest, daar had hij nog niet eerder van gehoord. Hij wandelde verder en dacht na. Als Karos had gedaan wat hem gevraagd was, was de koningin nu dood. Palin glimlachte bij de gedachte. Wat Karos niet wist was dat Palin helemaal niet van plan was om hem en zijn mannen gratie te verlenen. Hij zou eerst Klos vooruit sturen om te kijken of de koningin echt dood was, daarna zou hij de overgebleven wachters, die nu door Mythia struinde op zoek naar Sergeant Tores, naar het Woeste Land sturen. Ze zouden Karos en zijn mannen vinden met het lichaam van de koningin. Palin zou bepleiten dat ze in dienst van Tores hadden gewerkt. De reden dat hij Klos nog niet had weggestuurd was de prinses en de wachters in de kerkers. Dat was niet de bedoeling geweest. Karos had de prinses ook moeten pakken. Palin pijnigde zijn hersenen. Hij moest de prinses nog in zijn plan zien te verwerken. Met zijn handen op zijn rug liep hij verder.

 

 

Hoofdstuk 27

 

De dagen kropen voorbij in het huisje van Karia in Loura, dat eigenlijk niet groot genoeg was voor alle visite. Sergeant Tores ijsbeerde door de kamer tot grote ergernis van Karia, David en Laika, die rustig rond de tafel zaten –in Laika’s geval erop- en genoten van een kop dampende thee –in Laika’s geval een half gevulde vingerhoed. Wonk bleek een minder grote last te zijn dan iedereen had verwacht. Hij had het luiervermogen van een kat en lag het grootste gedeelte van de dag in een hoek van de kamer luid snurkend te slapen. Karia had al haar afspraken afgezegd en ging, als het echt nodig was, op huisbezoek. Het leek haar niet verstandig mensen thuis te ontvangen. Ze zouden sergeant Tores kunnen herkennen en dan hadden ze de poppen aan het dansen.

“Ga even rustig zitten en drink je thee op,” zei Karia tegen Tores.

Tores zei niets en maakte nog een rondje door de kamer. David begreep Tores wel. Hij kon zelf makkelijk naar buiten als hij het interieur van Karia’s huis zat was. Laika vertrok ’s nachts nog wel eens om een paar rondjes te vliegen en Wonk scheen het niet uit te maken dat hij de hele dag binnen moest blijven, maar Tores zat al dagen binnen. Zijn toch al niet al te beste humeur was er niet op beter op geworden.

“Het wordt tijd dat er iets gebeurt,” zei David.

“Ja,” zei Karia, “maar ik heb nog niets doorgekregen. Jullie kunnen pas wat gaan doen als ik weet wat jullie moeten doen.”

David en Laika knikten. Achter ze stopte sergeant Tores met ijsberen.

“Ik weet wel wat ik ga doen,” zei hij met een ijzige klank in zijn stem. De anderen keken verbaasd naar hem.

“Ik zie jullie straks weer,” zei hij terwijl hij de voordeur opentrok.

“Maar je wordt gezocht!” riep David hem nog achterna, maar het was al te laat. Sergeant Tores was verdwenen in de donkere straten van Loura.

 

Sergeant Tores had David nog wel horen roepen en hij wist dat het dom was om naar buiten te gaan, maar het kon hem even niets schelen. Als hij nog langer binnen moest zitten werd hij gek. Nietsdoen was niet aan hem besteed. Het was tijd om even de benen te strekken. Al was het maar in de straten van Loura. De anderen volgden hem gelukkig niet. In de staat waarin hij nu verkeerde zou hij nog wel eens dingen kunnen zeggen waar hij later spijt van kreeg. Er waren maar weinig mensen op straat en de mensen die hij tegenkwam leken hem niet te herkennen. Dat was in ieder geval een zorg minder. Tores draaide een straat in. Luid gelach klonk uit een open deur. De geluiden van een bar. Tores voelde in zijn zakken. Hij had geluk en vond nog een paar Gyra. Genoeg voor een paar stevige borrels. Dat had hij wel verdiend. Als het niet al te druk was in de bar, zou hij naar binnen gaan. Door de open deur wierp hij een blik in de bar. Het was inderdaad niet druk. Aan de bar zaten twee mannen. Achterin de bar zaten nog vier mannen aan een wiebelig houten tafeltje te kaarten. Tores stapte naar binnen en ging op een kruk aan de toog zitten.

“Wat mag het zijn?” vroeg de barman.

“Doe maar een dubbele Lanker,” zei Tores.

Zonder verder een woord te zeggen zette de barman een glas voor Tores op de bar. Tores betaalde hem, pakte het glas van de bar en gooide de inhoud in één keer achterover. Zijn gezicht vertrok in een grimas en hij kuchte. Sterk spul dat Lanker. De alcohol brandde in zijn keel en een warm gevoel vulde zijn maag. Dit was precies wat hij nodig had.

Tores zette het glas met een klap terug op de bar, “nog één!”

Na vier glazen begon hij het effect te merken. De alcohol spoelde zijn frustraties van de afgelopen weken weg en het geestverdovende gevoel dat gepaard ging met dronken zijn, begon al op te komen. Wat hij niet merkte was dat hij langzaam de aandacht begon te trekken van een paar mannen in de bar.

Zijn geld begon aardig op te raken. Hoeveel had hij al op? Tien glazen? Twaalf glazen? Hij wist het niet. In zijn hoofd begon de gedachte te knagen dat het misschien wel tijd werd om weer terug naar Karia te gaan. De anderen zouden wel ongerust zijn. Tores stond op van de kruk en hield zich vast aan de bar totdat hij zeker wist dat zijn benen hem konden dragen. Voorzichtig deed hij een paar stappen. Zijn benen voelden aan als rubber en hij wankelde even, maar het viel mee. Deze hele avond was meegevallen. Misschien waren er toch niet zoveel mensen naar hem op zoek. Tores liep naar de uitgang en stapte naar buiten waar de koele nachtlucht hem verwelkomde. Hij zag niet dat de twee mannen, die de hele avond aan de bar hadden gezeten, opstonden en hem volgden.

Er was helemaal niemand meer op straat. Tores had lang in de bar gezeten. De koele lucht ontnuchterde hem een beetje en zijn benen voelden al niet meer aan alsof ze er ieder moment de brui aan konden geven. Tores glimlachte. Het was niet verstandig geweest om naar buiten te gaan, maar hij voelde zich wel een stuk beter. Het was een bizarre situatie. Het elfje, het beest, de jongen van een andere wereld, het praten met dieren, hij vond het allemaal maar vreemd en moest er erg aan wennen. Terwijl hij door de donkere straten naar huis waggelde dacht hij aan Karia. Karia was niet vreemd, daar hoefde hij niet aan te wennen. Karia was leuk. Heel erg leuk zelfs. Hij schudde zijn hoofd. Hij kon niet verliefd worden. Niet in deze situatie en ook niet op Karia. Hij had zijn hersens nodig en goede ideeën wilden nog wel eens wegblijven als je met je hoofd in de wolken liep. En dan Karia. Ze was een ziener en hij maar een simpele sergeant. Ze kon veel beter krijgen. Sergeant Tores zuchtte. Het was jammer dat je je gevoelens niet uit kon zetten als het nodig was.

“Hé!”

Tores draaide zich om en keek naar de twee mannen die zijn gedachtengang ruw verstoord hadden. Hij herkende ze. Het waren de mannen uit de bar. De een was groot en zag eruit alsof hij één en één niet bij elkaar op kon tellen. De ander was zeker twee koppen kleiner maar zag er een stuk slimmer uit.

“Goedenavond heren,” zei Tores, “kan ik u ergens mee van dienst zijn?”

Tores keek van de een naar de ander. Het zag er niet goed uit. Hij was nog steeds flink aangeschoten en dat kwam zijn snelheid niet ten goede. En snelheid zou hij nodig hebben als de mannen wisten wie hij was. Tores besloot om zich nog even van den domme te houden. Hij liet zijn lichaam nog iets erger van links naar rechts zwaaien dan het uit zichzelf al deed. Als ze dachten dat hij zo dronken was dat hij niets meer terug kon doen, kon dat nog wel eens in zijn voordeel werken. Ze konden je beter onderschatten dan overschatten.

“Wat is er aan de hand?” vroeg Tores.

“Mijn vriend en ik,” zei de kleinere van de mannen, “hebben gehoord dat de koningin ontvoerd is.”

“Ja, dat heb ik ook gehoord,” zei Tores.

“Wij hebben ook een beschrijving van de dader.”

“Oh?”

“Een sergeant van de koninklijke wacht.”

“Ongelooflijk,” zei Tores, “waar moet het heen als zelfs de koninklijke wacht niet meer te vertrouwen is?”

“Een sergeant die precies op jou lijkt,” ging de kleine man onverstoorbaar verder.

“Op mij?” zei Tores, “wat een toeval.”

“Volgens ons is het helemaal geen toeval. Als je nu eens vertelt waar je de koningin vasthoudt...”

Tores zag de blik in de ogen van de mannen. Een blik die zei: “als we de koningin vinden worden we beroemd in heel Mythia en zit er misschien nog wel wat geld in voor ons ook.”

“Ik weet niet waar je het over hebt,” zei Tores, “je hebt de verkeerde voor je.”

“Dat denk ik niet,” zei de kleine man en wenkte naar zijn vriend. De grote man greep Tores’ arm beet. Tores trok zijn arm los, haalde uit naar de kleine man, sloeg hopeloos mis en was daarna zo uit balans dat hij op de grond lag voor hij het wist. De mannen begonnen hem meteen te schoppen.

“Vertel ons waar de koningin is!” hoorde hij ze roepen.

Tores beschermde zijn hoofd met zijn armen. De schoppen kwamen hard aan. Dit ging helemaal mis. Hij had nooit weg moeten gaan bij Karia en hij had zeker niet zoveel moeten drinken. Karia had gezegd dat de anderen hem nodig hadden om de koningin en de prinses te kunnen redden. Hij had er een zooitje van gemaakt. Weer een schop tegen zijn hoofd. Sterren explodeerden voor zijn ogen. Hij kon niet veel schoppen meer hebben, maar net toen hij dacht zijn bewustzijn te gaan verliezen hielden de mannen op met schoppen. Tores haalde zijn armen van zijn hoofd en waagde een blik omhoog. De mannen staarden met open mond naar iets dat achter Tores stond. Wonk deed een stap naar voren. De mannen zetten het op een rennen. Tores keek ze na. Zijn hele lichaam deed pijn. Hij voelde zich helemaal niet goed. Opstaan. Hij moest opstaan. Langzaam kwam hij overeind. De wereld draaide. Alles werd zwart. Tores zakte weer op de grond.

 

David kwam achter Wonk vandaan. Laika zat op zijn schouder. Hij zag de sergeant overeind komen en weer in elkaar zakken. Hij liep naar hem toe. De sergeant ademde nog wel, maar heel zwak.

“Zijn we op tijd?” vroeg Laika.

“Ik weet het niet,” zei David, “we moeten de sergeant snel naar Karia brengen. Het was maar goed dat Karia op het laatste moment nog een visioen kreeg, anders had het nog veel slechter kunnen aflopen.”

David knikte naar Wonk, die op de sergeant afliep en het bewusteloze lichaam over zijn schouder gooide. Samen liepen ze terug naar het huis van Karia.

 

 

Hoofdstuk 28

 

Palin had er lang over nagedacht en zag maar één oplossing. Istia moest vervoerd worden naar het Woeste Land. Als ze niet bij haar moeder gevonden werd zouden er vervelende vragen gesteld kunnen worden. Hij had tenslotte iedereen verteld dat de koningin én haar dochter ontvoerd waren. Zelfs als sergeant Tores zou zeggen dat hij onschuldig was, mochten de mensen hem niet geloven. Het was een belangrijk element van zijn plan. Een paar van de mannen die Karos had achtergelaten in het paleis zouden de prinses die avond meenemen. Karos zou nu al afgerekend hebben met de koningin en als hij gratie wilde, zou hij de prinses ook om moeten brengen. Palin was nog steeds niet van plan om Karos gratie te verlenen, maar hij was wel van plan om de gratie voor Karos’ neus te houden als een wortel voor de neus van een ezel. Dat was precies hoe hij Karos zag. Als een sterke ezel, die alles deed wat hij wilde. Een korte klop klonk op de deur. Klos kwam binnenlopen.

“Jij gaat vanavond mee,” zei Palin tegen Klos, “ik wil dat je Karos duidelijk maakt dat als hij de prinses niet dood, er geen sprake kan zijn van gratie.”

 

Klos slikte. Karos was een grote man en bij een eerdere ontmoeting had Klos een blik in de ogen van de man gezien, die hem tot op het bot verkilde. Als hij de keuze had, bleef hij ver bij hem vandaan. Die keuze had hij helaas niet.

“Maar heer, denkt u dat hij zal luisteren?”

“Dat is niet mijn probleem,” zei Palin, “je hebt tijd genoeg op de reis daarheen, ik zou ze gebruiken om te bedenken hoe je zo overtuigend mogelijk overkomt. Die mannen zijn net wilde beesten, als ze angst bespeuren zullen ze je aan stukken trekken.”

Klos slofte de kamer uit. Hij begon zo langzamerhand genoeg te krijgen van zijn baantje. Al maanden was hij op de hoogte van het plan, hij had alleen niet geloofd dat Palin gek genoeg was om het door te zetten. En nu was het te laat. Nu zat hij er zo diep in, dat als hij er mee zou stoppen, hij door Palin verbannen, of misschien nog wel erger, vermoord, zou worden. Het was beter om de kant van Palin te kiezen. Zoals het er nu naar uit zag ging het plan lukken. Hij liep de keuken binnen. Zes mannen keken op van hun avondeten, zagen dat het Klos was en bogen zich weer over hun bord. Klos schepte wat eten voor zichzelf op. Die avond had de kok een stampot van aardappels en groene bonen klaargemaakt. Sinds de koningin niet meer in het paleis woonde, holde de kwaliteit van de keuken achteruit. Klos ging apart zitten. De mannen negeerden hem en dat beviel hem best. Hij had niet veel zin in een gesprek met het tuig uit het Woeste Land. Hij zou nog lang genoeg met ze op moeten trekken. Nadat hij gegeten had trok hij zich terug in zijn eigen kamer en ging nog een keer over de plannen. Niet dat het echt nodig was, hij kende ze uit zijn hoofd. Klos trok zijn reiskleren uit de kast en kleedde zich om. In de laatste week had hij van de zenuwen heel weinig gegeten en was daardoor behoorlijk wat kilo’s afgevallen. Het viel niemand op, maar daar was Klos al aan gewend. Zijn broekband lubberde om zijn middel en hij trok de riem wat strakker aan. Voorlopig moest het zo maar even. Als hij terugkwam was er misschien tijd om nieuwe kleding te kopen. Klos verliet zijn kamer en liep door de achterdeur naar buiten, waar een koets klaarstond. De koets was zwart en voor de ramen hingen zwarte gordijnen, zodat niemand naar binnen kon kijken. Ze zouden voornamelijk ’s nachts reizen, maar Palin nam altijd het zekere voor het onzekere. De prinses zou vastgebonden, met een doek over haar hoofd en een knevel, om te zorgen dat ze niet kon gillen, vervoerd worden.

“Is alles klaar?” fluisterde een stem achter Klos. Zijn hart sprong in zijn keel. Hij draaide zich om en keek recht in het gezicht van Palin. Klos had hem niet aan horen komen. Hij wist zeker dat Palin hem expres had laten schrikken, maar het gezicht van de raadsman verraadde geen enkele emotie.

 

Istia hoorde de voetstappen weergalmen in de hallen tot ze stopten voor de deur van haar cel. Sleutels rinkelden en de deur zwaaide open. Twee mannen kwamen de cel binnen en pakten haar vast zonder verder iets te zeggen. Istia vocht, maar het had geen zin, de mannen waren veel te sterk voor haar. Haar armen werden op haar rug gebonden. Een van de mannen trok een donkere zak uit zijn vest. De plotselinge angst die Istia voelde bij het zien van de zak was overweldigend. Vastgebonden zijn was erg, maar niets meer kunnen zien was verschrikkelijk. Istia begon te worstelen, maar de man die haar armen vasthield was niet van plan om haar los te laten. Met geweld werd de donkere zak over haar hoofd getrokken. Uit pure frustratie schopte ze een paar keer in het wilde weg, raakte iets en hoorde een van de mannen vloeken. De zak werd weer van haar hoofd getrokken. De man die ze geraakt had, keek haar woedend aan en even dacht ze dat hij haar zou slaan, maar hij trok alleen een andere doek tevoorschijn die over haar mond werd gespannen en aan de achterkant werd dichtgeknoopt, daarna ging de zak weer over haar hoofd. Istia voelde hoe ze werd opgetild.

“Waar nemen jullie haar mee naar toe?” hoorde ze een wachter in de andere cel roepen. Ze dacht dat het Darin was.

De andere wachters in de cel riepen nog iets, maar ze kon al niet meer horen wat. De stemmen vervaagden snel. Even later voelde Istia de koele buitenlucht op haar armen. Het geluid van een deurtje dat open ging klonk en ze werd op een zachte ondergrond gelegd. Het deurtje werd weer gesloten. Istia ging zo goed en kwaad als het ging overeind zitten. Buiten klonk gefluister, maar weer te zacht voor Istia om het te kunnen verstaan. Ze zakte onderuit. Het touw om haar pols deed nu al pijn. Voor het eerst sinds alles was begonnen was Istia echt bang.

 

 

Hoofdstuk 29

 

Nog een week was voorbij gegaan. Sergeant Tores was aardig opgeknapt. Op een paar blauwe plekken na had hij niets overgehouden aan zijn ontmoeting met de twee mannen. Tores was niet meer buiten geweest, het was echt te gevaarlijk, en ook Wonk was binnen gebleven. Ze begonnen allebei last te krijgen van het de hele dag opgekropt zitten in het te kleine huisje van Karia en de laatste dagen was het humeur van de beide heren danig verslechterd. De sfeer in het huis was gespannen. Er moest snel verandering in komen.

Het vuur in de open haard brandde niet meer, maar de resten van het hout gloeiden nog een beetje na. In het huisje hoorde je niets behalve het snurken van Sergeant Tores en Wonk, die leken te vechten om wie er het meeste lawaai kon maken. David had een paar uur geslapen, maar was wakker geworden, had een stoel gepakt en zat bij de open haard naar de bijna verkoolde stukken hout te kijken. Hij pakte de ijzeren pook die naast de haard hing en rommelde ermee in de opening. De overgebleven stukken braken open. Binnenin was het hout nog roodgloeiend. Vonkjes sprongen omhoog en verdwenen door de schoorsteen naar buiten en de haard werd weer iets warmer. David hing de pook terug en keek door de donkere kamer. Wonk lag opgerold op de grond te slapen, zoals hij waarschijnlijk gewend was in het bos. Tores had de bank in beslag genomen en Laika lag op de tafel in de zachte jas van David te slapen. Karia lag in haar bed in de ruimte achter het gordijn, waar zij zich eerder op de avond had teruggetrokken. De rust in het huis was zalig. De geluiden van de slapende mensen kalmerend en vertrouwd. Wonk draaide onrustig en één van zijn benen schopte een paar keer zachtjes. David vroeg zich af wat Wonk droomde. Misschien rende hij wel blij tussen de bomen door. In de jas op tafel opende Laika haar ogen. David hield een vinger voor zijn lippen als teken dat ze stil moest zijn. Laika lachte met een slaapdronken hoofd naar hem.

“Alles goed?” vroeg ze aan David.

“Kon niet beter,” fluisterde David.

Laika stond op, rekte zich uit en liep naar de rand van de tafel. Ze ging zitten en liet haar benen over de rand bungelen.

“Kan je niet slapen?” Laika gaapte.

“Nee, ik denk dat het een beetje te druk is geweest de laatste tijd. En jij? Gaat het nog een beetje?”

“Ik ben benieuwd wat ons nog allemaal te wachten staat,” zei Laika.

David knikte, “ik ook.”

“En ik mis mijn vader. Ik ben nog nooit eerder zo lang van huis geweest.” Een kleine traan liep over Laika’s wang.

David keek naar haar. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Laika veegde met een hand langs haar gezicht.

“Het gaat wel,” zei ze.

David legde zijn voeten op het stenen plateau voor de haard en zakte onderuit. Hij liet zijn armen rusten op de leuningen van de stoel.

Laika stond op en vloog naar hem toe, “kan ik bij jou slapen?”

David pakte zijn jas van de tafel, vouwde hem op en legde hem op zijn buik. Laika kroop erop en ging liggen. Binnen een paar seconden was ze weer in slaap. David staarde een tijd naar het slapende elfje op zijn jas. In de laatste weken was hij warme gevoelens gaan koesteren voor iedereen in het huis. Hier behandelde ze hem allemaal als een gelijke. Hier was hij niet het ukkie dat niets kon. Hier was hij onder vrienden die hij kon vertrouwen en die hem aardig vonden zoals hij was. David pakte een stukje van zijn jas en legde het over het lichaam van Laika. Ze mompelde zachtjes maar werd niet wakker. David keek nog een tijd naar de gloeiende kooltjes in de haard totdat zijn ogen zwaar werden en hij zonder het te merken zelf ook weer in slaap viel.

Het was nog donker en David hoorde van heel ver weg zijn naam roepen. Iemand trok aan zijn arm. Beetje bij beetje werd de stem harder naarmate David uit zijn slaap kwam.

“David. Wakker worden!”

Hij opende zijn ogen en keek in het gezicht van Karia.

“Ja, ja. Ik ben al wakker. Wat is er aan de hand?”

In de jas op zijn buik opende Laika haar ogen. Op de achtergrond hoorde hij nog de snurkende geluiden van de sergeant en Wonk. Die twee waren blijkbaar met geen kanon wakker te krijgen.

“Als jullie opschieten kunnen jullie ze nog tegenhouden.”

David voelde zich al niet erg helder en de vage uitspraken van Karia hielpen niet echt.

Hij kwam overeind. Zijn rug was stijf van de hele nacht in dezelfde positie zitten en hij rekte zich uit.

“Wie zijn ze en waarom moeten we ze tegenhouden?”

“Ik vertel het zo, maak jij de anderen wakker?” vroeg Karia.

David legde de jas met de wakker wordende Laika daarin op de tafel en stond op. Na wat schudden, trekken, roepen, gegrom van Wonk en gescheld van de sergeant zat iedereen met een slaperig hoofd rond de tafel.

“De prinses wordt vervoerd naar het Woeste Land,” zei Karia, “ze zit opgesloten in een koets en wordt begeleid door vier mannen.”

“Waar zijn ze nu?” vroeg Tores.

“Ze zijn hier nog ver vandaan, maar komen snel dichterbij. Ik kan het voelen. Ik weet niet hoe lang het duurt voordat ze hier echt zijn.”

“Denk je dat ze door Loura komen?” vroeg David.

“Nee ze zullen de drukke wegen vermijden, maar ze moeten wel langs Loura en er is maar één andere weg, als ze niet vast willen komen te zitten in de modder met die koets.”

David keek naar de anderen. Sergeant Tores was na de woorden van Karia klaarwakker en klaar voor actie. De blik in zijn ogen liet weinig aan de verbeelding over.

“Waar is Oeroe?” vroeg David aan Laika.

“Als het goed is zit hij op het dak.”

De groep liep naar buiten. Het was een frisse nacht en David rilde. Laika vloog naar boven en kwam even later terug.

“Hij zit inderdaad op het dak. Wat gaan we doen?”

 

 

Hoofdstuk 30

 

Klos reed tussen de andere twee mannen in voor de koets uit. De derde man zat op de bok van de koets. De koets zelf hobbelde over de slechte buitenpaden die ze gekozen hadden om zo min mogelijk op te vallen. Het zou snel licht worden, maar nu was het nog pikdonker en ze reden niet zo hard. Op de buitenpaden moest je goed uitkijken voor kuilen, wortels of laaghangende takken, anders kon het paard of de berijder wel eens flink gewond raken. In geen van beide gevallen een goede optie als je op bevel van raadsman Palin een opdracht had uit te voeren. In het donker zag Klos de donkere schaduw niet, die een paar keer boven zijn hoofd cirkelde en daarna weer in de nacht verdween. De prinses had de hele reis nog geen kik gegeven, zelfs niet als de doek en de knevel verwijderd werden voor eten of drinken. Klos wilde kijken of ze nog leefde en niet gestikt was, maar de prinses mocht niet zien waar ze heen ging. De mannen bij hem zouden het trouwens niet eens toestaan. Zodra de prinses bij het kamp van de bannelingen aankwam, zou haar laatste minuut slaan, dus als ze nu al dood was zou het de mannen een hoop werk schelen.

 

Een paar kilometer verderop landde Oeroe bij de wachtende groep.

“En?” vroeg David.

“Ze komen over deze weg, in het tempo waarin ze lopen kan dat nog wel een half uur duren,” zei de uil. David vertaalde voor Tores.

“Dan stel ik voor dat we allemaal onze positie innemen,” zei Tores.

David bleef met Laika op het pad achter, terwijl Tores en Wonk zich aan weerszijden van het pad in de struiken verborgen.

“Ik vind het vervelend, dat ik niets kan doen,” zei Laika.

“Goed je ogen openhouden,” zei David, “het kan zijn dat we je hulp alsnog nodig hebben. Misschien als afleiding.”

Laika vloog omhoog en ging naast Oeroe op een tak zitten.

“Wat denk jij?”

Oeroe staarde voor zich uit, “het plan is goed, maar je weet maar nooit. Er kan van alles misgaan.”

Op het pad ademde David een aantal keer diep in, hij was nerveus. Hij keek om zich heen. In het donker zag hij niemand meer. Tores en Wonk zaten goed verstopt in de struiken. Zelfs Laika en de uil waren in het donker niet te zien. Hij ging op het pad liggen en wachtte op de komst van de koets.

 

Het maanlicht verlichtte het pad net genoeg om te zien waar ze liepen. Klos was vooraan gaan rijden zodat de twee mannen en de koets achter hem reden. Hij staarde in het duister of er geen gevaarlijke kuilen of takken aankwamen. Voor hem trok ineens iets zijn aandacht. Er had iets bewogen op het pad voor hem. Klos hield zijn hand omhoog om de mannen en de koets te laten stoppen en liet zijn paard iets verder lopen. Op de grond lag een hoop midden op het pad. Hij klom van zijn paard, liep naar de hoop en zakte op zijn knieën.

“Het is een jongen!” riep hij naar de wachtende mannen achter hem.

De anderen stapten af en liepen naar Klos.

 

David lag met zijn gezicht naar de grond en hoorde de mannen naderen.

“Wat is er met hem?” hoorde hij één van hen vragen.

“Ik weet het niet,” zei een ander.

Hij voelde hoe armen hem beetpakten en hem omdraaiden. David sloot zijn ogen en hoopte dat ze niet zouden zien dat hij bij bewustzijn was, tenminste, nu nog niet.

“Hij is bewusteloos.”

“Weet iemand iets van bewusteloosheid?”

“Ja. De koetsier.”

David lachte inwendig. Dit ging beter dan verwacht. Even later stonden alle vier de mannen om hem heen. David opende zijn ogen.

“Hé, hij is weer wakker. Gaat het?” vroeg Klos.

“Met mij wel,” zei David en tegen de sergeant en Wonk riep hij: “nu!”

“Nu?” zei Klos verbaasd en daarna barstte de hel los.

 

Sergeant Tores en Wonk renden de struiken uit. De mannen kwamen overeind. Wonk haalde uit naar de eerste die hij tegenkwam. De man had niet eens tijd om te reageren. De kracht van de klap tilde hem van de grond. Hij vloog een paar meter door de lucht, waarna hij met zijn rug tegen een boom tot stilstand kwam en stil bleef liggen. Sergeant Tores was minder sterk dan Wonk, maar niet minder gevaarlijk. Eén van de drie overgebleven mannen kwam op hem af. Sergeant Tores ontweek een aanval en stompte de man in zijn maag. Met alle lucht uit zijn longen klapte deze dubbel. Tores wachtte tot hij weer overeind kwam en hoekte hem op zijn kin. De man ging gestrekt en kwam niet meer overeind. Nog twee te gaan. Sergeant Tores draaide zich naar Klos en trok zijn zwaard. Klos deed hetzelfde, maar in plaats van de sergeant en Wonk aan te vallen, greep hij David bij zijn arm, trok hem voor zich en drukte het zwaard tegen zijn keel. David slikte. Het koude staal van het zwaard drukte hard op zijn huid. Hij probeerde zo min mogelijk te bewegen. Hij was dom geweest, door te blijven staan. Als hij was weggelopen was dit niet gebeurd. Hier hadden ze in hun plan niet op gerekend. De overgebleven ontvoerder, zijn zwaard in de aanslag, ging tussen Klos en de sergeant en Wonk instaan. Zijn ogen schoten heen en weer tussen zijn kameraden, die bewusteloos op de grond lagen, en Wonk. Zelfs in het donker was te zien dat er kleine zweetdruppeltjes van angst op zijn voorhoofd stonden. Wonk deed een paar stappen naar voren, zijn bovenlip opgetrokken, maar werd tegengehouden door de sergeant.

“Nee Wonk. Te gevaarlijk,” zei Tores met zijn hand op de harige schouder van Wonk.

Wonk bleef met tegenzin stilstaan.

 

Laika had boven zitten kijken en schrok toen David gepakt werd.

“We moeten wat doen,” zei ze paniekerig tegen Oeroe.

“We kunnen niets doen,” zei de uil met een kalme stem.

Laika keek boos naar haar altijd, en soms te beheerste vriend.

“Ik ga wat doen!” riep ze.

“Laika, niet doen!”

Ze sprong van de tak. Met haar vleugels strak langs haar lijf dook ze naar beneden. Ze moest David helpen. Ze kon toch moeilijk de hele tijd stil blijven zitten. Ze was misschien wel klein, maar zeker niet hulpeloos. Met een enorme vaart vloog ze rakelings langs het gezicht van Klos.

 

Klos zag iets langs zijn gezicht schieten, schrok en liet het zwaard dat tegen David’s keel gedrukt stond even zakken. David greep meteen zijn kans, liet zijn lichaam slap worden en zakte naar de grond, waardoor Klos zijn grip op hem verloor. Hij kroop snel weg van Klos.

“Nu Wonk!” riep Tores.

Wonk nam een sprong en dook bovenop de man die tussen Klos en hem instond. Zijn enorme gewicht was al voldoende om hem bewusteloos te krijgen. Sergeant Tores liep op Klos af, die zonder zijn menselijk schild, zijn zwaard onzeker voor zich hield. Hij was helemaal niet gewend om te vechten. Tores sloeg het zwaard met een ferme klap weg en hield de punt van zijn eigen zwaard onder Klos’ kin.

“Een beweging en het is afgelopen met je,”zei hij.

“Je weet niet wie je voor je hebt,” zei Klos

“Oh jawel,”zei Tores, “een slijmerig mannetje, dat voor de grootste gluiperd van heel Mythia werkt.”

Klos slikte voorzichtig, de punt van het zwaard zat erg dicht tegen zijn keel aan, en zei niets meer.

 

David rende naar de koets en trok de deur open. Op de bank in de koets zat de prinses. Hij trok de doek van haar hoofd. Istia knipperde een paar keer onwennig met haar ogen. Hij zag dat ze een stuk stof in haar mond had en maakte de knoop achterop haar hoofd los.

“Ik ken jou,” zei Istia terwijl David het touw om haar polsen losmaakte.

“Je moet nog even in de koets blijven,” zei hij tegen Istia en ging er weer vandoor, “alles is goed met haar, sergeant. We moeten nu gaan.”

Tores haalde zijn zwaard onder de kin van Klos vandaan en liep naar de koets. Wonk volgde hem. David stapte in de koets terwijl Tores en Wonk op de bok gingen zitten. Tores greep de teugels en spoorde de paarden aan. De koets kwam in beweging, maar hij stopte even bij Klos.

“Zeg maar tegen je baas dat zijn plannetje mislukt is. Misschien krijg je wel een beloning.”

De koets ging ervandoor, gevolgd door twee vliegende figuren en liet Klos achter met drie bewusteloze mannen.

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |