Hoofdstuk 31

 

Istia wreef over haar polsen. Het touw had een paar pijnlijke rode strepen achtergelaten.

“Ik heb jou al eerder gezien,” zei ze tegen David, “in Loura.”

De koets hobbelde in een flink tempo over het pad. David hield zich aan de leuning vast om niet van de bank af te schuiven en keek door het raampje aan de voorkant van de koets naar de achterkant van Tores en Wonk. Hij zag Laika en Oeroe niet, maar nam aan dat ze boven de koets vlogen. David ging weer rechtzitten en keek naar Istia. Hij was nog niet vergeten wat de soldaat met hem had gedaan, alleen omdat hij per ongeluk tegen de prinses op was gelopen, maar misschien viel de prinses wel mee. Zij had hem tenslotte niet geduwd. En hij had meegeholpen om haar te redden. Daar moest ze wel dankbaar voor zijn.

“Wie ben je?” vroeg Istia nadat ze zag dat ze David’s aandacht weer had.

“Wie ben ik?” dacht David. Waar moest hij beginnen? Moest hij vertellen dat hij een jongen uit een andere wereld was, die geen idee had wat hij in Mythia deed? Dat hij in de laatste weken een elfje, een harig beest, een sergeant en een ziener had ontmoet? Dat hij zonder het zelf te willen midden in een of ander complot terecht was gekomen?

“Ga je het me nog vertellen, of niet?” zei Istia op een bevelende toon.

David trok zijn wenkbrauwen omhoog, “sorry?”

“Je kunt me toch wel vertellen wie je bent?” zei Istia.

David werd kwaad. Het was te zien dat de prinses gewend was om te krijgen wat ze wilde. Hij had haar gered en wat was de dankbaarheid die hij kreeg? Een grote mond! Dit maakte hij op zijn eigen wereld dagelijks mee, maar nu was het genoeg. De prinses zeurde maar een eind weg, maar niet tegen hem. Niet nadat hij haar met gevaar voor eigen leven uit de klauwen van de handlangers van de raadsman had gered.

“Als we in onze schuilplaats zijn hoor je meer,” zei hij.

“Wat! Weet je wel wie ik ben. Je hebt me te gehoorzamen,” zei Istia.

David deed alsof hij haar niet hoorde en staarde door het raam in de deur naar buiten.

 

“Zijn we er al bijna?” vroeg Tores aan Wonk. De weg werd wat breder en hij had niet meer al zijn concentratie nodig om de putten in de weg te ontwijken.

“Mwrrff,” zei Wonk.

“Hè?”

“Mwrrff.”

“Ja, nou ben ik een stuk wijzer,” Tores keek naar boven en zag een klein lichtpuntje ver boven de koets vliegen.

“Laika!” riep hij en gebaarde met zijn hand dat ze naar beneden moest komen.

Laika vloog naar beneden en ging op zijn schouder zitten.

“Ik heb je nodig om Wonk’s gebrabbel te vertalen.”

“Gebrabbel?” Zei Laika. “In jou oren is het gebrabbel, maar voor….”

“Laika!” David’s stem klonk vanuit de koets, “vertaal het nou maar, we hebben nu geen tijd voor ruzie.”

“Wonk. Waar is de grot?” vroeg Laika in Wonk’s taal.

 

Sergeant Tores draaide van het pad, stopte de koets tussen de bomen en stapte van de bok af. Wonk volgde hem. David gooide het deurtje van de koets open en stapte naar buiten. Istia bleef mokkend in de koets zitten.

“Kom je?” vroeg David aan haar.

Istia keek hem even boos aan en draaide haar hoofd de andere kant op.

“Wat je zelf wilt,” riep David en gooide de deur van de koets met een klap dicht.

Sergeant Tores was takken van bomen af aan het trekken.

“Ben je van plan ook nog iets te doen?” vroeg hij aan Wonk die geïnteresseerd naar hem stond te kijken.

“Mrrwwwf?”

Tores zuchtte en keek naar Laika die bovenop de koets naast Oeroe zat.

Laika knikte en riep wat onverstaanbaars tegen Wonk, die meteen grote takken van de bomen begon te trekken. Verbijsterd keek Tores naar het geweld waarmee Wonk de bomen te lijf ging. Binnen een paar seconden lag de grond bezaaid met takken.

“Uh. Ik denk dat dit wel genoeg is,” zei Tores tegen Wonk, die onverstoorbaar door ging.

“MRWF!” riep Laika. Wonk stopte en keek grijnzend naar de sergeant.

“Ja. Heel goed,” zei Tores vanachter de enorme stapel takken die tussen hem en Wonk in lag.

David kwam naast hem staan, “wat gaan we nu doen?”

“We gaan de takken over de koets heen leggen. We moeten er voor zorgen dat de koets in ieder geval de komende dagen niet gevonden wordt. Daarna maakt het niet meer uit,” zei Tores.

“Dan ga ik maar even de prinses uit de koets halen,” zei David.

David opende de koetsdeur.

“Het spijt me hoogheid,” zei hij, waarbij hij het ‘hoogheid’ zo overdreven mogelijk uitsprak, “maar u moet nu toch echt de koets uit.”

“Ik ga nergens heen,” zei Istia en keek weg van David.

“Nou moet je eens goed luisteren…,” begon David. De sergeant hield hem tegen.

“Laat haar maar even,” zei hij en leidde David weg van de koets. “De prinses weet dat haar moeder in levensgevaar is en ze heeft een paar verschrikkelijke dagen achter de rug in deze koets.”

“Dat is geen reden om zo tegen mij te doen,” zei David.

“Ze is bang en valt terug op het gedrag dat haar is aangeleerd als prinses: bevelen geven”, zei Tores, “laat haar maar. Ze draait vanzelf bij en als je de prinses leert kennen zul je zien dat ze heel aardig is.”

Tores en Wonk namen de grote takken voor hun rekening en legden ze over de koets. David vulde de openingen op met de kleinere takken. Laika, Oeroe en Istia, die ondertussen toch maar uit de koets was gekomen, keken toe.

De groep stond op het pad en keek naar de plek waar de koets stond.

“Het is ongelooflijk,” zei David, “er is niets meer te zien van de koets.”

Sergeant Tores keek tevreden naar zijn werk. Een lichte bries stak op.

“Volgens Oeroe krijgen we regen,” zei Laika, “als we niet nat bij de grot aan willen komen moeten we nu gaan.”

Sergeant Tores pakte de teugels van de paarden die de koets hadden getrokken. De paarden gingen mee naar de grot. Hij kon ze moeilijk achterlaten.

“Waar moeten we heen?” vroeg hij.

Na een korte gromwisseling tussen Laika en Wonk liep Wonk het bos in. De rest volgde hem.

 

“Wat een vieze zooi!”

Istia liep al vanaf de eerste stap in het bos te klagen. Haar schoenen en de onderkant van haar broek waren zwart van de modder en de wind blies haar haar door de war, zodat ze eruit begon te zien als een boerenmeid, die de hele dag op het land had gewerkt, in plaats van een prinses.

De anderen reageerden niet op het geklaag.

“Is het nog ver?” vroeg David aan Wonk.

“Grot vlakbij,” zei Wonk.

“Waar praten jullie over?” vroeg Istia.

Weer reageerde er niemand.

“Ik had beter in de koets kunnen blijven,” zei Istia.

“Mijn idee,” zei David in zichzelf, maar net hard genoeg zodat Istia het hoorde.

“Wat zei je?” Istia klonk niet kwaad maar verbaasd. Zo had nog nooit iemand tegen haar gesproken.

“Voor iemand wiens leven net gered is, heb je een behoorlijk grote mond,” zei David.

Sergeant Tores draaide zijn hoofd naar David, “doe nu rustig. Je weet toch wat ik je net verteld heb.”

“Ja, dat weet ik,” zei David, “maar ik zie geen bang meisje. ik zie een verwend nest. Ik weet niet hoe die raadsman van jullie is, maar als het land door dit soort figuren geleid wordt, kan het bijna niet slechter.”

Istia viel stil en staarde naar de grond. Tranen stonden in haar ogen. David zag het, maar was nog niet klaar. Hij voelde zich gefrustreerd en verward. Hij riskeerde zijn leven in een land dat hij niet kende, voor mensen die hij niet kende en hij had geen idee of er ooit nog een weg terug was naar zijn eigen wereld en de oorzaak van al zijn problemen liep te jammeren als een klein kind.

“Ik een rotgevoel, jij een rotgevoel,” dacht hij.

“Ja, ga maar huilen,” zei hij tegen Istia en heel even voelde hij zich goed. Totdat hij het gezicht van Istia zag. Hij had meteen spijt van zijn harde woorden. Met moeite slikte Istia haar tranen in. Haar gezicht was verwrongen van ellende. Tores schudde zijn hoofd. In stilte liep de groep verder.

De grot was een donker hol in de bergwand, die tussen Mythia en het Woeste Land lag. David probeerde naar binnen te kijken, maar zag niets.

“Weet je zeker dat het hier veilig is?” vroeg hij aan niemand in het bijzonder.

“Als Wonk hier woont, neem ik aan dat weinig andere dieren het in hun hoofd halen om hier binnen te komen,” zei Tores.

Tijdens de wandeling was het langzaam lichter geworden. De dag was aangebroken. De groep liep naar binnen. Na een paar minuten in het donker waren hun ogen gewend aan de duisternis. De grot was duidelijk alleen voor Wonk om in te schuilen en te slapen. Het was een grote lege ruimte met in één hoek een bed van verdord gras en bladeren. Ze hadden besloten om hier heen te gaan om zo te kunnen schuilen voor de zoektocht, die ongetwijfeld gestart zou worden door Palin, en om na te kunnen denken over hun volgende zet. Ze hadden maar net tijd gehad om een plan te bedenken om de prinses te bevrijden, de rest moest nog bedacht worden. Geritsel klonk buiten de grot en David liep naar de ingang. Het regende. In de verte hoorde hij het gerommel van onweer. Dikke druppels raakte de kruinen van de bomen en vormde stroompjes water langs de bladeren. David liep terug naar binnen.

“Voorlopig kunnen we niet naar buiten,” zei hij.

“Dat was ook niet de bedoeling,” zei Tores, die het zich gemakkelijk had gemaakt op het provisorische bed van Wonk, “ik heb vannacht niet al te veel geslapen, dus ik doe nog even mijn ogen dicht.”

David keek rond, “Laika, waar is Oeroe?”

“Die zit buiten op een tak te slapen.”

“In dit weer?”

“Waar denk je dat hij anders slaapt? In een bed?”

“Oh ja,” zei David.

Istia had zich afgezonderd en zat met haar knieën opgetrokken en haar armen eromheen geslagen tegen de wand. David liep op haar af en ging naast haar zitten.

“Het spijt me,” zei David.

Istia keek hem aan. Haar ogen waren rood.

“Ik had dat nooit mogen zeggen,” David keek voor zich. Hij voelde zich ellendig.

“Het geeft niet. Ik was ook niet erg redelijk,” zei Istia.

Ze legde haar hoofd op David’s schouder en sloot haar ogen. Istia, die al in dagen niet had geslapen, was meteen diep in slaap. David bleef zitten. Er had nog nooit eerder een meisje naar hem gekeken, laat staan dat ze haar hoofd op zijn schouder had gelegd. Hij keek door de opening naar buiten waar de regen in pijpenstelen naar beneden kwam. Wat was de volgende stap? De koningin was nog steeds in handen van de bannelingen. Sergeant Tores had vast een plan om haar te bevrijden. Hoe gevaarlijk zou het nog worden en durfde hij wel mee te doen? Terwijl hij nadacht zakten langzaam zijn ogen dicht en werd het doodstil in de grot.

 

 

Hoofdstuk 32

 

Klos liep, doorweekt van de regen, Loura binnen, op de voet gevolgd door de drie mannen. Het liefst wilde hij een warm bad en een goede maaltijd, maar hij moest de raadsman inlichten. Niet dat hij daar erg veel zin in had. Klos was blij dat hij een flink stuk bij Palin uit de buurt zat. Hij dacht na. Het was niet verstandig gebruik te maken van de boodschappers van Mythia, het bericht dat hij wilde versturen was zeker niet voor ieders oren bestemd. Postduiven, daarmee moest hij het bericht versturen. Postduiven waren niet zo snel als de boodschappers, maar toch nog altijd sneller dan de gemiddelde ruiter. Klos hield de eerste de beste voorbijganger aan en vroeg hem waar hij postduiven kon vinden. De voorbijganger gaf aan welke kant hij op moest en nog geen half uur later vloog een duif Loura uit op weg naar het paleis in Dorma.

 

Palin las, met een kalm gezicht, het bericht dat een bediende hem zojuist had gegeven.

“Object is ontvreemd. Daders sergeant, jongen, beest, elf. Schuilplaats onbekend. Gaarne advies.”

Hij wreef over zijn voorhoofd. Van de stupiditeit van al die idioten om hem heen kreeg hij hoofdpijn. De sergeant begon een grotere lastpost te worden dan hij had verwacht en blijkbaar had hij bondgenoten gevonden, maar dat liet één vraag onbeantwoord. Wie kon weten dat de prinses precies op die plaats zou verschijnen? Palin was de controle over de situatie kwijt. Hij moest die terug zien te krijgen, maar hoe? Hij staarde uit het raam naar de bossen van Mythia.

“Hoe konden ze het weten?” dacht hij, “wie heeft de kracht om te voorspellen waar iets zou gaan gebeuren?” Het antwoord was zo simpel dat Palin kwaad werd op zichzelf. Waarom was hij er niet meteen op gekomen? Hij ging aan zijn bureau zitten en schreef een kort briefje. Tien minuten later was de duif weer op weg. Palin trok aan een fluwelen koord dat in zijn kamer hing, ergens in de verte hoorde hij een bel en een paar minuten later verscheen de bediende weer.

“U wenst?”

“Zorg dat over een half uur een koets met koetsier klaarstaat.”

De bediende knikte en verliet zijn kamer.

“Je moet hier ook alles zelf doen,” zei Palin tegen de lege kamer.

 

Istia werd als eerste wakker en keek om zich heen. De jongen, David, had zijn arm om haar heen, maar sliep nog. Ze duwde zijn arm weg, stond op en liep naar de ingang. Het regende niet meer en de zon was al druk bezig om het gevallen water te verdampen. De uil zat te slapen op een laaghangende tak, met zijn kop diep in zijn veren.

“Gaat het hoogheid?”

Istia draaide zich om en keek naar Tores. De sergeant liep langs haar naar buiten, rekte zich een keer goed uit en gaapte de laatste slaap uit zijn lijf.

“Ben je er nog achter gekomen waar mijn moeder is?” vroeg Istia.

“Ik weet wel ongeveer waar ze is, maar we hebben hulp nodig als we haar willen bevrijden,” zei Tores en dacht erachteraan, “als dat nog nodig is.”

“Wat gaan we nu doen?” vroeg Istia.

“Eerst gaan we de rest wakker maken. Ik zorg voor Wonk, als u de jongen wakker wilt maken.”

Een schop tegen zijn been zorgde ervoor dat David wakker schrok.

“Auw!” hij keek naar het uitgestreken gezicht van Istia, “waar was dat goed voor?

“De sergeant zei dat ik je wakker moest maken, dat heb ik bij deze gedaan.”

“Als hij je ooit vraagt om mij te helpen, waarschuw me dan even,” zei David terwijl hij over de plek wreef waar Istia hem geschopt had.

Tores liep naar Wonk en schudde hem wakker. Wonk opende zijn ogen. Met een blik van angst greep hij de sergeant bij zijn vest en gooide hem door de grot. Tores kwam met een klap op de stenen vloer terecht.

“Is ie helemaal…,” begon hij, terwijl hij kwaad opstond en het stof van zijn kleding klopte.

Wonk was ondertussen opgestaan, besefte wat hij gedaan had en keek schuldig naar Tores. Er volgde een kort gesprek met David.

“Wonk zegt dat hij vergeten was dat er mensen bij hem in de grot waren, hij schrok van je, maar heeft er wel erg veel spijt van.”

“Het zou toch wel fijn zijn als iemand anders eens de pineut is,” zei Tores.

Wonk keek verwachtingsvol naar David.

“Alles is goed,” zei David. Wonk klaarde zichtbaar op.

“Zo. Kunnen we nu bespreken wat we verder gaan doen?” zei Istia

“We missen nog iemand,” zei David.

Vanaf een richel kwam een zoemend lichtgevend figuurtje aanvliegen, dat op David’s schouder ging zitten.

“Ik ben er al.”

Sergeant Tores vond dat ze zo snel mogelijk een plan moesten verzinnen om de koningin te bevrijden.

“En jij weet waar ze is?” vroeg David.

“Ongeveer,” zei Tores.

“Hoe ongeveer?” vroeg Laika

“Ik weet dat ze in het Woeste Land zit.”

“Oh. Dan is het simpel, want het Woeste Land is maar heel klein. Daar zijn helemaal niet veel plaatsen waar je je zou kunnen verstoppen,” reageerde Laika.

“Een reis naar het Woeste land klinkt inderdaad niet erg aantrekkelijk,” zei David, “zou de koninklijke wacht ons niet kunnen helpen?”

“Ik denk niet dat, dat werkt,” zei Tores, “de echte wachters zijn over heel Mythia verspreid. Ze waren allemaal al op zoek naar Zacharias en nu misschien ook naar mij. Palin heeft in het paleis het gajes uit het Woeste Land aangesteld als wachters. Als we daar binnen lopen worden we meteen opgepakt. Palin is slim. Hij zal zoveel mannen in het paleis hebben die hem volgen, dat we het zelfs met de hulp van de volledige koninklijke wacht afleggen tegen de overmacht.”

“Er is trouwens nog een probleem,” ging Tores verder, “de prinses is al jaren het paleis niet meer uitgeweest en zoals ze er nu uitziet,” Tores wees over zijn schouder naar Istia, die er vuil en verward uitzag, “de inwoners van Mythia herkennen haar niet meer. Als we gepakt worden zou Palin kunnen zeggen, dat ze de prinses helemaal niet is en dat ik alleen maar probeer mijn eigen hachje te redden.”

David liet alles even tot zich doordringen. Het was gecompliceerder dan hij dacht. Palin had blijkbaar aan alles gedacht.

“Dan kunnen we het beste terug naar de ziener, als iemand weet waar ze de koningin precies vasthouden, dan is zij het,” zei David.

“We blijven rondjes lopen,” zei sergeant Tores geërgerd.

“Heb jij een beter idee?” wierp Laika tegen.

“Dit schiet toch helemaal niet op! Ik wil wat doen! Van dat stilzitten word ik helemaal gek.” Tores liep rood aan.

“Voorlopig is David’s idee het enige slimme plan dat ik gehoord heb,” schreeuwde Laika.

David stond op en liep naar buiten. Hij bleef buiten de ingang staan en ademde de verse boslucht in. Door de ruzie merkte bijna niemand dat hij weg was, op één na. Wonk stond op en volgde hem.

“David niet goed?” zei hij.

“David is een beetje moe van al het gezanik. Als er iemand niets met dit alles te maken heeft, dan ben ik het wel en ik krijg al het gelazer over me heen. Wat kan ik nou doen? Ik ben een jongen, die te klein is voor zijn leeftijd. Ik heb in mijn leven nog niet één keer gevochten, sterker nog, ik ga ruzie het liefst uit de weg. Op school was ik het pispaaltje,” David keek naar het onbegrijpende gezicht van Wonk, “en jij hebt geen idee waar ik het over heb.”

“David vriend van Wonk, David aardig voor Wonk. Niet roepen: monster, monster. Dood! Niet achterna zitten met stokken van vuur.”

“Maar dat is toch normaal?”

“Niet normaal, normaal is angst voor Wonk.”

David staarde naar Wonk. Wonk had gelijk. Iedereen had zo zijn eigen problemen in het leven.

“Je hebt gelijk Wonk.”

Wonk grijnsde een prachtige rij scherpe tanden bloot.

Laika kwam naar buiten vliegen, “we waren nog niet klaar David, kom je weer naar binnen?”

“Ik kom eraan.” David legde een hand op de rug van Wonk en samen liepen ze terug.

“We gaan naar de ziener,” zei Tores, “we moeten alleen wel opschieten, dus ik dacht dat we het beste de paarden konden nemen. Heb je ooit op een paard gezeten?”

“Nee, nog nooit. Moet er trouwens geen zadel op die paarden?” vroeg David.

“Nee zonder lukt ook wel,” zei Tores en richtte zich op Istia, “hoogheid?”

“Natuurlijk kan ik paardrijden. Ook zonder zadel,” Istia keek minachtend naar David. Ondanks dat ze de hele nacht op zijn schouder had geslapen en hij eigenlijk heel lief leek, was ze was de rottige opmerkingen van David nog niet vergeten en ze was voorlopig niet van plan om aardig tegen hem te doen.

“Mooi, dan kan David met u meerijden.”

David en Istia wisselden een blik van ongenoegen.

“Dan zitten we alleen nog met hem,” sergeant Tores gebaarde naar Wonk, “we kunnen hem moeilijk bij mij achterop het paard zetten. Hij is veel te zwaar en ik denk dat het paard bang van hem zou worden.”

“Ik praat wel met hem,” zei Laika, “wij komen jullie wel achterna.”

“Dan zijn we klaar om te gaan,” zei Tores.

Tores en Istia liepen naar buiten. David bleef nog even in de grot achter en riep Laika bij zich.

“Laika, wat vind je van mij? Denk je dat ik het red?”

“Hoezo niet?”

“Ik weet het niet. Moet je mij zien? Wat kan ik nou doen?”

“Naast wat je tot nu toe allemaal al gedaan hebt bedoel je?” zei Laika.

“En dan Tores en Istia. Ze kennen elkaar al zo goed. Ik voel me echt een buitenbeentje.”

“Maak je niet druk, we zitten vlak achter je. Wonk is behoorlijk snel te voet en vliegend verslaan Oeroe en ik de paarden makkelijk. Het komt wel goed. Tores ken je al en de prinses is heel lief. Ik weet het zeker.”

“Hoe kun je dat nou zeggen? Je kent haar helemaal niet,” zei David.

“Ik zie het in haar ogen en ik voel het, noem het elvenintuïtie,” Laika glimlachte naar David, “je redt het best.”

David was er nog niet zo zeker van. Hij liep naar buiten. Tores en Istia stonden naast de paarden.

“U eerst,” zei Tores en Istia klom op het paard.

David liep naar het paard. Tores hielp hem erop zodat hij achter Istia zat en klom daarna op zijn eigen paard.

“Ok,” riep hij, “daar gaan we.” Tores gaf zijn paard de sporen en vloog ervandoor.

“Als ik jou was zou ik me goed vasthouden,” zei Istia tegen David.

“Vasthouden? Waaraan?”

Istia trapte het paard in zijn zij en het dier ging in draf achter het andere paard aan.

David voelde zijn achterwerk van het paard afschuiven en greep instinctief naar het enige uitstekende object dat hij zag.

Istia voelde David’s handen op haar schouders, “het gaat makkelijker als je je armen om mijn middel slaat.”

David liet Istia’s schouder los en sloeg zijn armen om haar middel. Istia spoorde het paard aan en ging in galop achter Tores aan.

Ze bereikten het pad naar Loura en Istia ging naast de sergeant rijden. Sergeant Tores keek opzij.

“Gaat het?” vroeg hij.

“Ge-we-weldig,” zei David. Ze waren net op weg en zijn achterwerk begon nu al pijn te doen.

“We zijn er zo,” zei Tores.

“We zijn er zo,” klopte niet helemaal. Het duurde nog een half uur voordat ze bij de rand van Loura kwamen.

“We zullen de paarden achter laten en te voet verder gaan,” zei Tores, “op paarden vallen we teveel op.”

David sprong van het paard en liep een paar rondjes om het bloed in zijn benen weer op gang te krijgen. Alles deed pijn.

“Pijnlijk achterwerk, David?” vroeg Istia onschuldig.

David deed alsof hij haar niet hoorde.

“Kom, we gaan,” zei Tores, die de paarden een stuk van het pad af aan een boom had vastgebonden.

Ze liepen Loura in en volgden de stille weggetjes. Op de hoofdwegen was het te druk en ze konden het risico niet lopen dat Tores door iemand herkend zou worden. Een smalle steeg kwam uit op de straat waar Karia woonde. Tores liep voorop. Vanaf de aangrenzende weg hoorde Tores stemmen komen en hij stak zijn hand naar achteren om David en Istia te stoppen. Tores draaide zijn hoofd om en hield zijn vinger voor zijn lippen als teken om stil te zijn.

David en Istia luisterden gespannen.

“Weet de raadsman zeker dat ze hier terug komen?” vroeg een van de stemmen.

“Lijkt mij niet,” zei een andere stem, “ik denk dat we hier voor de zekerheid zijn achtergelaten.”

Even was het stil en daarna:

“De ziener vocht aardig terug zeg. Ik heb een paar stevige krabbels over mijn armen en gezicht.”

“Tja. Jij moest zonodig als eerste naar binnen. Ze is een ziener, dus ze wist waarschijnlijk al dat we kwamen.”

David, Istia en Tores keken elkaar aan.

“Karia is gepakt,” fluisterde David.

“Wat doen we nu?” vroeg Istia.

“We gaan terug naar de rand van Loura en wachten op Laika en Wonk,” Zei Tores.

“En dan?”

“Dan gaan we uitvogelen waar ze Karia vasthouden.”

David wist dat de sergeant gesteld was op Karia, maar de blik in zijn ogen op weg naar de rand van het dorp verraadde sterkere gevoelens. Laika en Wonk hadden zich tussen de bomen verstopt, maar niet zodat ze de weg niet in de gaten konden houden. Ze kwamen tevoorschijn toen de anderen voorbij kwamen.

“Jullie zijn snel terug,” zei Laika.

De sergeant keek grimmig voor zich uit.

“Karia is gepakt,” zei David, “volgens mij heeft de sergeant een plan.”

“Ik heb zeker een plan,” zei Tores.

 

Hoofdstuk 33

 

Tarem verveelde zich. Hij had net de mannen afgelost die de wacht hielden voor het huis van de ziener. Toen hij voor het eerst van Karos hoorde van de plannen om weer terug te gaan naar Mythia om iedereen die verantwoordelijk was voor de verbanningen naar het Woeste Land te laten boeten, was hij heel enthousiast geweest. Hij had echter wat meer actie verwacht. Een huis bewaken was niet zijn idee van actie, zeker niet met de partner die hem toebedeeld was. Grok, zijn partner stond tegen de muur aangeleund en staarde met een lege blik voor zich uit. Grok was niet één van de slimsten. Een simpele vraag als “wat wil je eten vanavond?” leverde al een vragende blik op en een gesprek van meer dan drie zinnen hoefde je met hem niet te voeren. Hij was na de eerste zin al kwijt waar het over ging.

Tarem was verbannen vanwege een uit de hand gelopen ruzie met zijn buurman over een hek, dat wel of niet te ver op het land van de buurman had gestaan. Zijn idee om de discussie een handje te helpen met een houten knuppel had hem een enkeltje naar het Woeste Land opgeleverd. Grok, zijn partner was een ander verhaal. Grok was zo dom als een ezel, maar luisterde beter dan een goed afgerichte hond. Een simpel bevel kon hij net onthouden en hij deed altijd wat hem gezegd werd. Het feit dat Grok bijna twee meter groot was en zo sterk als een os leverde nogal wat nadelen op, dat wil zeggen, voor Grok. Een geintje van een paar jongens uit zijn dorp, waarin ze hem hadden aangespoord de plaatselijke wachters uit te dagen, had geleid tot een aantal hersenschuddingen, wat gebroken armen, een ontwrichte celdeur en zijn verbanning. Niet dat het Grok iets kon schelen, hij merkte het verschil nauwelijks. In het Woeste Land was het overdag alleen wat warmer.

“Hoeveel langer zouden we hier nog moeten staan?” vroeg Tarem en keek opzij naar Grok.

Grok keek hem vragend aan, tijd was een begrip dat volledig aan hem voorbij was gegaan. Hij begreep nog net dat als het nacht werd hij moest gaan slapen, dit tot groot ongenoegen van Tarem, die al zijn overredingskracht nodig had gehad om ervoor te zorgen dat Grok bij het ondergaan van de zon niet voor de deur van het huis van de ziener in slaap viel.

“Huh?” zei Grok.

“Laat maar,” zei Tarem en zuchtte nog maar eens diep.

Vanuit de steeg die aan de straat van de ziener grensde klonk een schreeuw. Tarem schrok op en spitste zijn oren. Hij hoorde niets meer. Grok gaf hem weer een vragende blik.

“Ga jij eens kijken wat daar aan de hand is,” zei Tarem.

“Huh?”

“Jij…kijken…daar…,” Tarem wees op de steeg.

Grok draaide zich om, staarde naar de ingang van de steeg, draaide zich weer terug naar Tarem en keek hem met zijn lege blik aan.

“Dit meen je toch niet…,” zei Tarem en liep kwaad langs Grok de steeg in.

Een paar seconden later klonk er een doffe klap in de steeg. Grok keek niet op of om. Niemand had hem ooit iets verteld over doffe klappen in een steeg.

 

Tarem opende zijn ogen. Zijn hoofd deed pijn en eventjes zag hij alleen maar vlekken in alle kleuren van de regenboog. Na een paar seconden begonnen de vlekken gelukkig weg te trekken. Hij keek om zich heen en probeerde zich te bewegen. Het lukte niet. Zijn handen waren achter zijn rug gebonden en zijn benen zaten vast aan de voorpoten van de stoel waar hij op zat. In een hoek van de kamer stond een brandende kaars die alleen die hoek verlichtte. De rest van de kamer was pikdonker.

“Is daar iemand?” vroeg hij voorzichtig. Achter hem hoorde hij een zacht schuifelen.

Tarem probeerde zijn hoofd te draaien, maar een felle pijnt schoot door zijn nek van de klap die hij eerder had gehad en hij keek snel weer voor zich.

“Als er iemand is, zou ik graag willen weten waarom ik vastgehouden word. Je hebt geen idee wie je voor je hebt.”

Iemand stapte in het kaarslicht. Het licht kwam vanachter de figuur, zodat Tarem alleen zijn silhouet zag.

“Dat hoor ik vaker de laatste tijd, dat ik geen idee heb wie ik voor me heb. Ik durf het tegendeel te beweren. Ik heb een simpele vraag voor je.”

Tarem staarde naar de figuur voor hem en probeerde zijn gezicht te zien. Het was onmogelijk.

“En de vraag is?” vroeg hij.

“Waar is de ziener?”

Er begon Tarem iets te dagen.

“Ah, sergeant Tores. Ik zie dat ze je nog niet te pakken hebben gekregen,” Tarem grijnsde naar de schaduw voor hem.

“Heel goed,” zei Tores en stapte iets opzij zodat de helft van zijn gezicht verlicht werd. De grijns van Tarem verdween bij het zien van de uitdrukking in het gezicht van Tores.

“Ik vertel je helemaal niets,” stotterde hij.

“Weet je dat zeker?” Tores’ stem was kalm en beheerst en voorspelde weinig goeds.

“Heel zeker,” Tarem probeerde de zenuwen uit zijn stem te houden, “je bent een wachter en gebonden aan bepaalde regels.”

“Ik ben geen wachter meer, zoals je weet, hoewel ik de code van de wachters altijd zal volgen. Ik ben dus misschien gebonden aan bepaalde regels, maar hij niet.”

Het was Tores’ beurt om te grijnzen.

“Wie niet…,” Tarem voelde een warme adem in zijn nek, zijn haren gingen overeind staan. Een zacht gegrom klonk in zijn linkeroor en hield even abrupt op als het was begonnen.

“Wat is dat?” vroeg hij. Zijn stem trilde van de angst.

“Als je daarachter wilt komen kan ik je aanraden om mijn vraag niet te beantwoorden,” zei Tores.

Tarem hoefde niet lang na te denken.

 

 

Hoofdstuk 34

 

“Die arme man,” zei Istia lachend.

“Net goed,” zei Laika, die boven de groep vloog.

David lachte met ze mee. Wonk liep aan zijn zij met een halve grijns op zijn gezicht. Hij begreep niet helemaal waarom de anderen zo moesten lachen. De enige die niet lachte was de sergeant.

“Kom op Tores,” riep Laika, “je moet toegeven dat het grappig was.”

Tores knikte, “we zijn er nog niet, het gevaarlijkste gedeelte moet nog komen.”

“Weet iemand eigenlijk waar we precies heen moeten?” vroeg David.

De man had ze wel de plaats genoemd waar Karia gevangen werd gehouden, maar zo goed kende hij Loura nou ook weer niet.

“Ik weet waar het is,” zei Tores, “ik ben hier opgegroeid.”

Tores leidde ze door donkere steegjes van de ene kant van Loura naar de andere kant. Het was al ver na middernacht en er waren bijna geen mensen meer op straat. De groep kon zich vrij bewegen. Tores stopte voor een deur in een smalle straat en gluurde door een klein raampje naast de deur naar binnen. Twee mannen zaten aan een tafel te kaarten. In de verre muur zat nog een deur. Hij vermoedde dat Karia daarbinnen zat.

“En?” vroeg David.

“Twee man, maar ik kan niet de hele kamer zien,” fluisterde Tores, “veel meer kunnen er niet zijn, denk ik.”

“Hoe komen we binnen?” vroeg Istia.

“Gewoon kloppen,” zei Tores en keek naar David.

David begreep de bedoeling.

 

Klop klop.

“Wie is daar?” klonk een stem van binnen.

“Pizzabezorger!” riep David en grinnikte inwendig om de vragende blikken in de ogen van Istia, Tores en Laika.

Het was even stil binnen, alsof iemand diep nadacht over wat hij net gehoord had, daarna klonk het geschuif van een stoel en hoorde David voetstappen. De deur ging op een kier en toonde het halve gezicht van een onguur type.

“De wat?” vroeg het ongure type.

“De pizzabezorger,” zei David met een strak gezicht.

De man opende de deur nog een stukje verder. ‘Pietza?’ vroeg hij, ‘wat is dat?’

Sergeant Tores, die naast David tegen de muur gedrukt stond knikte naar Wonk, die aan de andere kant van de deur stond. Wonk strekte zijn arm en duwde de deur met een klap open. De man kreeg de deur vol op zijn gezicht en sloeg achterover. Enigszins versuft bleef hij liggen. Voordat de overgebleven ontvoerder in de gaten had wat er aan de hand was waren Tores en Wonk al binnen. Tores was binnen een tel bij de ontvoerder, worstelde hem tegen de grond en hield hem onder zich door met zijn knieën op de rug van de man te gaan zitten en zijn armen naar achter te trekken. Wonk trok ondertussen de andere man overeind en hield hem met een enorme behaarde hand in bedwang.

“Wie zijn jullie?” vroeg de man onder Tores, zijn stem vervormt omdat zijn gezicht tegen de grond gedrukt was.

“Gaat je niks aan,” Tores gebaarde naar David.

David opende de deur naar de kamer, waar volgens Tarem de ziener moest zitten, “Oh oh.”

“Wat is er…oh.” De sergeant keek langs David naar een tiental man, die met getrokken zwaarden en speren in de kamer stonden. Een aantal van hen keek onzeker naar Wonk.

Achter hen sloot de voordeur van het huis met een knal. Sergeant Tores draaide zich om en zag een bekend gezicht. Tarem deed een stap naar voren.

“Dachten jullie nou echt, dat we zo dom waren om de ziener gevangen te houden in een huisje met maar twee bewakers? zei hij.

“Jullie zijn gevolgd vanaf het moment dat jullie mij pakten. En als jullie nu zo vriendelijk willen zijn…,” Tarem gebaarde naar de deur.

Tores wist wanneer hij tegenover een overmacht stond en liep langs Tarem naar buiten, gevolgd door de anderen. Tarem liep achter de gevangenen aan. Hij had het gevoel dat hij iets vergat, maar kon niet bedenken wat dat precies was. Hij haalde zijn schouders op en porde voor de lol Wonk, die achteraan liep met zijn zwaard in de rug.

“Doorlopen!”

Wonk draaide zijn kop om en gromde.

“Ja, ja, heel stoer,” zei Tarem en sloeg Wonk met de platte kant van het zwaard op zijn kop.

 

Tarem leidde ze rechtstreeks naar het wachterhuis van Loura waar een kleine cel op ze wachtte.

“Wat ga je met ons doen?” vroeg Istia nadat Tarem de getraliede deur had gesloten.

“Ik niets, maar raadsman Palin zou hier over een paar dagen moeten zijn. Die weet vast wel wat hij met jullie gaat doen.”

Tarem bleef achter met Kreg, een jongeman die ongeveer een jaar ervoor was verbannen voor het in de brand steken van een bar waar hij een paar uur eerder, in beschonken toestand, ruzie had gekregen. Het vuur had rap om zich heen gegrepen en maar weinig mensen waren levend de bar uitgekomen.

Tores liep naar één van de muren en ging op de grond zitten. David ging naast hem zitten. “Wat doen we nu?” vroeg hij fluisterend zodat de bewakers hem niet zouden horen.

“Niks. Wat kunnen we doen?” zei Tores.

Istia zat op het enige bed in de cel en staarde treurig voor zich uit. Wonk stond bij de celdeur en keek naar Tarem met een blik die hem aan Kreg deed vragen: “hij zal toch niet door de celdeur heen kunnen?”

David zweeg en keek om zich heen.

“We missen iemand,” dacht hij.

 

 

Hoofdstuk 35

 

Laika had zich verstopt zodra ze de gewapende mannen in de kamer zag en was achter de anderen aangevlogen toen ze naar het wachterhuis werden gebracht. Door hoog boven de daken te blijven liep ze niet het risico gezien te worden. Oeroe, die buiten had zitten wachten, vloog met haar mee.

“Wat wil je gaan doen als je daar bent?” vroeg hij terwijl ze op één van de vele daken landden om te kijken waar de groep heenging.

“Dat zie ik wel.”

“Ik weet niet of je de laatste tijd nog wel eens naar jezelf hebt gekeken, maar je bent maar tien centimeter groot,” zei Oeroe serieus.

Laika wierp hem een vuile blik toe, “denk je dat ik dat zelf niet weet? Kom we gaan weer!”

Eenmaal op het dak van het wachterhuis overdachten Laika en Oeroe hun opties. Laika was al een aantal keer om het wachterhuis heen gevlogen om te zien of ergens een opening zat waardoor ze naar binnen kon, maar zonder succes.

“Heb jij nog briljante ideeën?” vroeg ze aan Oeroe, die rustig om zich heen zat te kijken.

“Er zit daar een luchtgat in het dak,” zei hij, “maar…” Laika liep naar de opening.

Oeroe hobbelde achter haar aan, “…maar je kan er niet in vliegen, dan beschadig je je vleugels.”

“Ik heb weinig keus.” Laika trok aan het roostertje dat voor het gat zat. Ze kreeg er geen beweging in.

“Misschien zou je even willen helpen.”

Oeroe zuchtte diep, klemde zijn snavel om het roostertje en gaf een ruk. Het schoot los.

“Weet je zeker dat je dit wilt doen?” vroeg hij.

Laika keek in de donkere buis die naar binnen leidde, “maak je geen zorgen, ik ben zo terug.” Vastberaden sprong ze in de buis, haar vleugels zo dicht mogelijk langs haar lichaam geklemd.

Ze viel een paar seconden en raakte daarna de wand van de buis, die een flauwe bocht maakte en daardoor het effect had van een glijbaan. Ze bereikte het horizontale gedeelte van de buis, gleed nog eventjes door en stond op. De buis was donker, maar door het licht dat ze zelf afgaf kon ze net zien waar ze heen moest. Laika stofte zich af en liep verder de buis in. In de verte klonken stemmen. Ze liep op het geluid af. De buis maakte een paar bochten en ze volgde hem tot ze bij een verwijding kwam. Licht scheen door een gat in de muur. Ze keek door het gat de kamer in. Twee mannen zaten rustig aan de houten tafel in het midden van de kamer te praten over wat ze zouden gaan doen zodra ze Mythia weer in mochten, ze herkende Tarem. De cel met de anderen erin was recht tegenover Laika.

“Ik denk dat ik een boerderij begin,” zei Tarem, “of een smederij. Dat heb ik ook altijd al leuk gevonden.”

“Waar wou je dat van doen? Je hebt niet eens Gyra’s,” zei de andere man, die Laika niet herkende.

“Je hebt toch gehoord wat Karos zei. De raadsman zal ons rijkelijk belonen voor onze hulp.”

“Dat moet ik eerst nog zien,” zei de ander pessimistisch.

Laika zag de sleutels van de celdeur op de tafel liggen. Ze was nog diep in gedachten over hoe ze de sleutels bij David en de anderen kon krijgen toen een stem naast haar zei: “ahum!”

Laika schrok op. Een rat zat naast haar in de buis en keek haar verbaasd aan.

“Wat doet een elf hier?” vroeg de rat.

Laika keek in de zwarte kraaloogjes en een plan vormde zich in haar hoofd.

“Ik heb je hulp nodig,” zei ze tegen de rat, die haar, hoewel het bijna onmogelijk was, nog verbaasder aankeek.

 

“Een rat!”

“Grijp hem!”

David hoorde het rumoer vanuit de kamer bij de cel, stond op en liep naar de deur. De twee bewakers waren druk bezig met een rat, die alles op alles zette om uit hun handen te blijven. Hij zag een bekend figuurtje door de kamer vliegen.

 

Laika vloog naar de tafel en pakte de sleutels van de cel. Ze steeg op. Ondanks de rat als afleidingsmanoeuvre trok het rinkelen van de sleutels de aandacht van Tarem.

“Daar komt helemaal niets van in,” riep hij en sloeg met zijn hand naar Laika.

Normaal gesproken zou Laika geen enkel probleem gehad hebben om de hand te ontwijken, maar de sleutels waren zwaar, zodat ze geen snelle bewegingen kon maken. Tarem sloeg haar uit de lucht. Met een klap sloeg ze tegen de grond, stuiterde tegen de muur en bleef stil liggen. Eventjes was iedereen stil.

 

“Nee! Vuile, vieze…,” schreeuwde David vanuit de cel. Zijn bloed kookte. Om zijn nek trilde de ketting. Hij keek de kamer rond en zag de rat in een hoek zitten.

“De sleutels!” riep hij in perfect rats.

De rat reageerde meteen. Rende naar de sleutels, die naast het bewusteloze lichaam van Laika lagen, pakte ze in zijn bek en vloog met sleutels en al door de kamer richting de cel. Kreg waagde nog een sprong en greep naar de rat. Hij voelde nog net de gladde staart door zijn vingers glippen. De rat schoot tussen de tralies door en liet de sleutels vallen.

“Bedankt,” zei David terwijl hij de sleutels opraapte.

“Geen probleem,” zei de rat.

David stak de sleutels in het sleutelgat van de celdeur en draaide het slot open. Tarem en Kreg, die overeind krabbelde, stonden ineens voor een overmacht. De blik in de ogen van de jongen was er een van pure haat, maar de blik was nog niet zo erg als die in de ogen van het beest achter hem.

“Grijp ze!” gilde David.

Tarem slikte.

 

“We gaan terug naar de grot,” zei Tores.

David schudde zijn hoofd, “nog niet, we hebben hulp nodig voor Laika.”

David hield het bewusteloze lichaam van Laika bezorgd vast. Ze zag er niet goed uit. Ze was bleek en ademde onregelmatig. Aan haar lichaam zag David niets vreemds, ze had waarschijnlijk niets gebroken, maar iets anders baarde hem ernstig zorgen. Eén van haar vleugels was gescheurd.

“En waar wil je hulp vandaan halen?” zei Tores.

“Ik ken nog meer mensen hier. Volg mij.”

De anderen volgden David. Het huis van Janos en Hertha lag niet zover buiten Loura, maar toch nog ver genoeg om de paarden te nemen. Ze vonden de paarden op de plek waar ze ze hadden achtergelaten. David werd door Tores in het zadel geholpen achter Istia, daarna besteeg Tores het andere paard. Dit keer reed Istia voorop. David gaf aanwijzingen waar ze heen moest. Wonk rende in de beschutting van de bomen en struiken achter ze aan.

Hè, wat is er aan de hand?” klonk er boven David. Oeroe vloog boven zijn hoofd.

“Laika is gewond.”

“Wat...? Hoe...?” stotterde Oeroe, “ik wist dat ik haar niet had moeten laten gaan! Wat is er gebeurd?”

“Dat leg ik later wel uit,” riep David.

“En waar gaan jullie nu heen?”

“We gaan naar Hertha en Janos. Ik ben al eerder bij ze geweest.”

“Oh. De boerderij.”

David keek verbaasd omhoog, “uuhh. Ja. Je weet waar het is?”

“Ja ik weet het,” Oeroe vloog weg.

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |