Hoofdstuk 36

 

“Dat is de prinses?” vroeg Janos, terwijl hij naar de smoezelige figuur van Istia keek.

Istia wierp hem een boze blik toe.

David, de sergeant en Istia waren als eersten aangekomen en hadden Janos en Hertha in de stal gevonden.

“Dus nog een keer” zei Hertha, “u bent de ontsnapte sergeant, die beschuldigd wordt van de ontvoering van de koningin en haar dochter.”

Tores knikte.

“Maar u heeft de koningin en haar dochter niet ontvoerd, want de prinses staat hier tegenover me.”

Istia knikte.

“De koningin wordt in het Woeste Land vastgehouden door de bannelingen.”

Tores knikte.

“En dit is allemaal een plan van de raadsman om aan de macht te komen?”

“Ja,” zei David.

“En hoe ben jij hier ook al weer in terechtgekomen?” vroeg Hertha aan David.

“Geen idee,” antwoordde David.

Een grote schaduw kwam de stal binnen. Sneller dan iemand van zo’n oude man had verwacht greep Janos de kruisboog, die altijd dicht bij hem in de buurt was, legde aan en schoot. Alleen dankzij de nog snellere reactie van Tores, die de kruisboog omhoog sloeg, raakte de pijl Wonk niet, maar bleef hij trillend steken in het hout van de deurpost net boven zijn. Wonk gaf een gil, draaide zich om en ging ervandoor.

“Wat maak jij nou?” riep Janos tegen de sergeant en maakte aanstalten om achter Wonk aan te gaan.

Tores hield hem tegen.

“Laat me los! Dat is het beest, dat mijn koeien gestolen heeft,” riep Janos woedend.

“Dat lijkt me erg sterk,” zei Tores kalm.

David, die ondertussen van de schrik bekomen was, rende naar buiten. Wonk was nergens meer te bekennen.

“Ik trek al een aantal weken met dat beest op en ik heb hem nog niets anders zien eten dan fruit en brood. Hij doet geen vlieg kwaad. Nou ja, behalve als je het hem vraagt,” zei Tores.

Janos keek verbijsterd naar Tores, “maar mijn koeien?”

“Ik weet niet wat er met je koeien is gebeurd. Ik weet wel dat het Wonk niet geweest kan zijn.”

“Wonk?” vroeg Hertha.

“Ja, zo heet hij,” zei Istia, die eindelijk haar tong weer had gevonden.

David kwam ondertussen weer de stal inlopen.

“Hij is weg.”

“En nu?” vroeg Istia.

Oeroe is naar hem op zoek.

“Oeroe?” vroeg Janos.

“Dat kan ik beter uitleggen als hij er weer is,” zei David.

David stond buiten. De sergeant en Istia zaten met Hertha en Janos in het huisje. Het was al een uur geleden dat Oeroe achter Wonk aan was gegaan. Hij maakte zich zorgen. David staarde naar de blauwe lucht boven hem. Een klein stipje verscheen en werd snel groter. De uil ging op het dak van het huisje zitten.

“En?” vroeg David.

“Ik kan hem niet vinden,” zei Oeroe.

“Hij zit niet in zijn grot?”

“Daar ben ik geweest. Je zou toch denken, dat een dier zo groot als Wonk makkelijk te vinden zou zijn in het bos.”

“Ok,” zei David, “voorlopig kunnen we toch niets doen. Laten we eerst maar eens naar binnen gaan.”

“Hoe gaat het met Laika?” vroeg Oeroe.

“Ze is een half uur geleden bijgekomen. Istia is bij haar.”

 

Laika lag met haar ogen open op een dubbelgevouwen doek. Ieder botje in haar lichaam deed pijn, maar dat was niet het ergste. Eén van haar vleugels was gescheurd. Ze zou nooit meer kunnen vliegen. Ze was nog te geschokt om het zich echt te realiseren. Om haar gedachten af te leiden richtte ze haar aandacht op Janos. Ze voelde zich ongemakkelijk onder zijn blik. Janos zat haar vanuit zijn stoel onafgebroken aan te staren. Ze was voorgesteld aan Janos en Hertha. Hertha was druk bezig om voor iedereen eten te maken.

“Wat is er?” zei ze fel tegen Janos, die zichtbaar schrok van haar reactie.

“Nee, niks,” Janos stond op en liep naar David, die ondertussen was binnengekomen en Oeroe bij Laika op de tafel zette.

Oeroe keek bezorgd naar Laika.

“Hoe gaat het?”

“Pijn,” zei Laika en glimlachte, maar Oeroe zag dat het een geforceerde glimlach was.

“Als je wilt neem ik je mee terug naar je vader.”

Laika schudde haar hoofd, “nee, ik wil nog niet terug.”

Oeroe begreep het en hield verder zijn snavel.

 

In een hoek van de kamer, ver weg van Laika, zodat ze het niet zou horen vroeg Janos aan David: “een elf. Heb je al een wens mogen doen?”

“Zo werkt het niet,” zei David terwijl hij bezorgd naar Laika keek, “elven kunnen geen wensen vervullen, dat is een fabeltje.”

“Oh,” Janos liep duidelijk teleurgesteld weer weg.

“Jongens en meisjes, ik heb eten,” Hertha liep de kamer in met een schaal vol broodjes en een aantal koppen soep.

 

“Wat gaan we doen?” vroeg David, terwijl hij nog een stuk brood in zijn mond propte.

“De ziener bevrijden kunnen we nu wel vergeten,” zei Tores, “ze verwachten ons daar. Als we een stap in Loura zetten kunnen we meteen weer een cel van binnen bekijken. We hebben gewoon niet genoeg mankracht voor een bevrijdingsactie.” Tores slurpte het laatste restje soep uit zijn kom.

Istia kuchte overdreven.

“En vrouwkracht natuurlijk,” zei Tores.

“Maar als we iets willen doen, is er eigenlijk maar één optie,” ging Tores verder, “we moeten zien of we zelf de koningin kunnen bevrijden.”

“Maar je zegt net, dat we niet genoeg mankracht hebben voor een reddingsactie,” zei David.

“Ik betwijfel of ze ons in het Woeste Land verwachten,” zei Tores.

“Ongezien het kamp in, de koningin bevrijden en er stilletjes weer vandoor?” vroeg hij.

De sergeant knikte, “juist, zonder dat er een klap valt.”

“Dat is te hopen,” zei Laika, “jullie leggen het af, zeker nu Wonk nergens meer te vinden is.”

“Dat klopt,” zei Tores, “ ik wil duidelijk maken, dat niemand hier gedwongen wordt om mee te doen. Ik zal niet ontkennen dat het heel gevaarlijk is, maar ik kan niet stil blijven zitten. Als jullie willen afhaken word je dat niet kwalijk genomen.”

David staarde naar de grond. Wat moest hij doen? Misschien was er wel een reden voor zijn aanwezigheid in Mythia. Misschien was dit wel zijn lot.

“Ik doe mee,” zei hij.

“Wanneer gaan we?” vroeg Istia.

Tores keek geschokt naar de prinses.

“Het lijkt me niet verstandig dat u mee gaat hoogheid,” zei hij, “als ze u ook te pakken krijgen…”

“Ik ga mee, of het nu verstandig is of niet. Als jullie gepakt worden is het net zo goed afgelopen, of ik er nou wel of niet bij ben.”

Sergeant Tores dacht even na, “goed, dan gaan we allemaal.”

“En hoe komen we daar?” vroeg David.

“Normaal gesproken gaat iedereen over de bergen, maar ik weet een snellere manier… er doorheen.”

 

 

Hoofdstuk 37

 

Maar weinig mensen wisten van de doorgang door de bergen. Dat had meerdere redenen, maar de belangrijkste was dat degenen die het wisten angstvallig hun mond dichthielden. De grotten waren levensgevaarlijk terrein, het was er pikdonker, met vertakkingen in alle richtingen, diepe gaten en vlijmscherpe uitstekende stukken steen. Als je al niet verdwaalde in de vele tunnels, dan was de kans groot dat je reis door bepaalde objecten aanzienlijk verkort werd. Sergeant Tores was opgegroeid in Loura en was, ondanks de waarschuwingen van zijn ouders, veelvuldig in de grotten geweest. Dit had hem niet alleen tientallen angstige uurtjes bezorgd, waarin hij probeerde de uitgang te vinden, maar het had hem uiteindelijk ook een zeer grondige kennis opgeleverd van de grotten en hun gevaren.

De groep stond voor de ingang van de grot. Van Janos hadden ze een voorraad fakkels meegekregen om te kunnen zien in de grotten. Laika was bij Hertha en Janos achtergebleven samen met Oeroe. Het elfje was niet in staat om mee te gaan. De ingang was nauwelijks te zien van buitenaf en Tores moest een aantal struiken, die tegen de bergwand groeiden, opzij duwen om een opening te creëren waar ze doorheen konden. David stapte gebukt door de opening zodat hij zijn hoofd niet zou stoten. Hij werd gevolgd door Istia die de tas met fakkels droeg. David had het niet erg gevonden om ze zelf te dragen, maar Istia had erop gestaan dat zij ze bij zich hield. David vermoedde dat het haar het idee gaf dat ze ook iets deed.

“Niemand doet een stap voordat ik binnen ben,” klonk de stem van Tores van buiten.

“Overbodige opmerking,” dacht David terwijl hij in het donker voor hem staarde. Hij kon, zelfs met het licht dat door de opening viel, niet verder zien dan een paar meter. Sergeant Tores kroop door de opening de grot in, pakte één van de fakkels uit de tas die om Istia’s schouder hing en stak hem aan met een lucifer. De vlam wierp vreemde schaduwen op de wanden.

“We gaan,” zei Tores, “jullie moeten zo dicht mogelijk bij me blijven. Het is nog een behoorlijk stuk lopen en kijk uit waar je je voeten neerzet,” zei Tores, “er zitten verradelijke gaten in de grond. Het zou niet best zijn als een van ons zijn enkel verstuikte, of erger…”

De groep trok de grotten in.

Sergeant Tores liep voorop gevolgd door David en helemaal achteraan Istia, die in het licht van de fakkel probeerden om dezelfde stappen te doen als de sergeant. David voelde zich niet op zijn gemak. Het donker werd maar een paar meter teruggedreven zodat hij zowel voor als achter zich diepe duisternis zag. Wie wist wat er allemaal in deze grotten leefde? David wilde eigenlijk aan de sergeant vragen of er naast gaten in de grond verder nog gevaarlijke dingen in de grot zaten, maar was bang dat hij door Istia als een angsthaas gezien zou worden. Hij concentreerde zich op andere dingen. Op Laika. David maakte zich ernstig zorgen om haar. Ze had er slecht uitgezien toen ze die ochtend vertrokken. Het was niet alleen haar vleugel die kapot was. David zag dat het licht dat ze normaal uitstraalde zwakker aan het worden was. Dat kon niets goeds betekenen. Ze moesten snel de koningin zien te bevrijden. Misschien had hij dan nog tijd om Laika te helpen. Niet dat hij wist hoe, maar dat was van later zorg.

 

In het donker verloor Istia ieder gevoel voor tijd. Hoe lang waren ze al in de grotten? Eén uur? twee uur? Ze wist het niet. Ze staarde naar de grond en naar de hielen van David, die voor haar liep. Ze vroeg zich af of ze de enige was die de grotten eng vond. David scheen nergens bang voor te zijn. Het geringe licht werkte op haar zenuwen en af en toe leek het alsof ze geschuifel achter zich hoorde. Misschien was het verstandig om het tegen de sergeant te zeggen, maar het kon ook haar verbeelding zijn en dan zouden ze denken dat ze haar beter bij Hertha en Janos hadden kunnen laten. Nee, Tores en David mochten haar angst niet zien. Istia dacht aan haar moeder, die ergens in het Woeste Land vastgehouden werd. Ondanks dat ze de laatste jaren nauwelijks nog contact had met haar moeder, wilde ze haar zo graag weer zien. Sergeant Tores had niets gezegd, maar iedere keer als ze het over haar moeder had verscheen er een grimmige blik in zijn ogen. Ze wist dat de sergeant dacht dat haar moeder dood was. Istia hoopte dat hij ongelijk had. De gedachte dat haar moeder haar nodig had, zorgde ervoor dat Istia’s angst iets wegzakte. Ze volgde de voetstappen van David door de grot.

 

“Waar ben ik mee bezig?” dacht Tores, terwijl hij een gat in de grond ontweek. Hij begon steeds meer te twijfelen of het wel zo’n goed idee was om naar het Woeste Land te gaan. Ze waren maar met z’n drieën, waarvan twee kinderen, als er iets mis ging…

De fakkel in zijn hand flikkerde en begon langzaam uit te gaan. Tores stopte, riep Istia bij zich, haalde een nieuwe fakkel uit de tas op haar rug en stak hem aan met de vlam van de oude fakkel.

“Als het goed is, zouden we ongeveer op de helft moeten zijn.” zei hij.

David keek naar Tores terwijl hij de nieuwe fakkel aanstak. Een zacht geluid bereikte zijn oren, hij kon het niet thuisbrengen.

“Hoorden jullie dat ook?” vroeg hij aan de anderen.

Istia keek hem met grote paniekogen aan. Zij had het ook gehoord.

“Wat is dat?” vroeg ze met een trillende stem.

David staarde in het donker naar de plek waar het geluid vandaan was gekomen. Het licht van de fakkel werd zwakjes weerkaatst. Twee groene vlekken schenen in het duister. Iets klikte in David’s hoofd.

“Zitten hier wilde beesten?” vroeg hij fluisterend aan sergeant Tores.

Tores wist dat er in het Woeste Land roofdieren leefden, maar niet dat ze zich ook in de grotten ophielden.

“Ik dacht het niet, maar nu ben ik er niet meer zo zeker van,” zei hij tegen David zonder zijn ogen van de lichtgevende vlekjes af te houden.

“Wat kunnen we doen?” vroeg Istia, die langzaam richting David en Tores schuifelde, weg van het beest.

“Iedereen achter me,” fluisterde Tores.

Tores bleef doodstil staan. De nieuwe fakkel in zijn hand brandde fel. Een poema stapte in het licht van het vuur. Tores zwaaide een paar keer met de fakkel. De meeste dieren waren bang van vuur, maar deze poema leek niet erg onder de indruk. Langzaam kwam de poema dichterbij terwijl Tores hem op afstand probeerde te houden met het vuur. Blazend en grommend ontweek de poema de stoten van de sergeant. Zijn klauwen vol glinsterende nagels haalde uit naar de fakkel. Sergeant Tores begon al meteen terrein te verliezen.

 

David staarde gebiologeerd naar de strijd, hij wist niet wat hij kon doen. Als hij opzij had gekeken, had hij kunnen zien dat Istia langzaam in paniek raakte en kleine stapjes achteruit deed, zonder te kijken waar ze heenging.

 

Istia keek verdwaasd naar het gevecht tussen Tores en de poema. Al haar instincten schreeuwden dat ze weg moest uit de grot. Onbewust stapte ze steeds verder naar achteren. Weg van de poema. Weg van een onvermijdbare dood. Ze deed nog een stap achteruit. En nog een. En toen was er ineens iets mis. Onder haar hakken voelde ze geen vloer meer. Haar voeten begonnen weg te slippen. Met een schok besefte ze dat ze beter had moeten opletten waar ze heen liep. Ze draaide haar hoofd een stukje om. Achter haar gaapte een gat in de rotsgrond. Ze voelde de zwaartekracht aan haar trekken en na een moment waarin het leek alsof ze gewichtloos was, gleden haar voeten en benen langs de steile wand van het gat. Ze graaide wild met haar handen naar houvast en vond net een uitstekend stuk rots vlak voordat ze helemaal in het gat verdween. De tas met fakkels glipte van haar schouder en viel in het gat. Istia hoorde ver onder zich de fakkels met een ratelend geluid de grond raken. Met haar voeten zocht ze gaten in de gladde wand om terug te klimmen, tevergeefs. Haar handen begonnen pijn te doen. Haar gewicht was teveel om te dragen en langzaam begonnen haar vingers van de rots te slippen.

“Help me!” schreeuwde ze.

 

David hoorde de schreeuw om hulp achter zich. Hij draaide zich om en zag het hoofd van Istia uit het gat steken. Haar ogen stonden vol angst en smeekten hem haar te helpen. David zag haar vingers van de rots glijden. Hij had het gevoel dat hij in een slow motion wereld terecht was gekomen. Het wegglijden van Istia’s vingers duurde in zijn ogen veel langer dan die ene seconde in de echte wereld. David probeerde zijn lichaam in beweging te zetten. Het leek alsof zijn spieren niet mee wilde doen aan het plan dat zijn hersenen in een fractie van een seconde hadden bedacht. David zag de toppen van de vingers van Istia loskomen van de rots die ze vasthield. Hij sprong.

 

Istia’s vingers kwamen los en ze voelde zich weer vallen. Haar hele leven vloog aan haar voorbij. Duidelijker dan ze zich ooit iets herinnerd had. Paardje rijden op de knie van haar vader. De lessen in de tuin van Zacharias. Het gezicht van haar moeder. De dood van haar vader. Steeds sneller kwamen de beelden. Pijnlijke beelden, beelden van puur geluk en alles daartussenin. De eerste keer dat ze David zag. De verwondering bij het zien van Wonk en Laika. Hoewel ze toen niet had laten blijken hoe verwonderd ze wel niet was. Ze wist dat ze dood zou vallen, maar al de herinneringen waren zo overweldigend, dat het haar niet eens meer kon schelen. Het was allemaal goed. Heel even vroeg ze zich af hoe het zou zijn als ze ouder was geweest. Hoeveel herinneringen zouden er dan boven zijn gekomen? Istia sloot haar ogen.

 

David landde op zijn buik naast het gat en graaide naar Istia’s uitgestrekte arm. Zijn hand vond haar pols en hij klemde zijn vingers eromheen. Het gewicht van Istia trok aan zijn arm. David had al zijn kracht nodig om ervoor te zorgen dat ze niet uit zijn hand glipte. Dit hield hij nooit lang vol. Hij keek in het gezicht van Istia. Ze had haar ogen open en keek verwilderd naar hem, alsof ze niet wist wat er gebeurde. David zag haar blik van onwetendheid weer veranderen in angst.

“Laat me niet los,” riep ze vanuit het gat. Tranen stroomden over haar wangen. David probeerde haar omhoog te trekken. Hij was niet sterk genoeg. Zijn handpalmen waren bezweet en hij voelde Istia’s pols door zijn vingers glijden. Hij sloot zijn vingers nog strakker om haar pols.

“Tores, help me!” riep hij wanhopig.

 

De sergeant hield het zelf ook niet lang meer vol. De poema was hem tot op een meter genaderd en hij begon moe te worden. Zweet droop van zijn voorhoofd. De poema zag er nog lang niet moe uit.

“Ik heb genoeg problemen hier. Ik kan jullie niet helpen!” riep hij zonder om te kijken.

David’s armspieren begonnen te verkrampen en zijn vingers voelde hij al niet meer. Als ze niet snel wat deden lag Istia binnen niet al te lange tijd alsnog beneden.

De munt aan de ketting trilde even. Kennis van een vreemde taal vloog door David’s hoofd. Hij knipperde met zijn ogen. Woede spoelde door hem heen en gaf hem nieuwe kracht. David opende zijn mond.

“Is het afgelopen met die ongein!” riep hij kwaad.

 

De poema sprong achteruit en keek verbaasd om zich heen, zoveel woede had hij nog nooit gehoord. Zeker niet in zijn eigen taal. Tores stond met de fakkel in de aanslag te wachten tot de poema weer zou aanvallen. Hij had de grom van David niet gehoord, maar de poema leek geen kwaad meer in de zin te hebben.

“Sergeant! Help ons,” riep David.

Tores draaide zich om. Zijn ogen vonden David en Istia. In een tel was hij bij ze en trok David en Istia omhoog. Iedereen was weer veilig.

David stond hijgend met zijn handen op zijn knieën. Tores had zijn arm om Istia’s schouders geslagen. Ze zag er slecht uit, haar gezicht grauw en grijs, maar ze was in ieder geval nog in leven. David keek naar de poema, die nog steeds verbaasd naar de groep keek.

“Wie zei dat?” vroeg de poema.

“Ik,” antwoordde David, “waarom heb je ons nu net niet aangevallen, we waren behoorlijk hulpeloos.”

“Je valt geen prooi aan die je eigen taal spreekt. Dat is net alsof je je eigen soortgenoten opeet.”

De poema trok een vies gezicht bij de gedachte.

“Ik wil het gezellig samenzijn niet verstoren,” zei Tores, die niets van het gesprek verstond en alleen maar een hoop geblaas hoorde, “maar we hebben een probleem.”

David draaide zich om en keek Tores vragend aan.

“Dit is de laatste fakkel en daar redden we het niet mee tot aan de andere kant van de grot. En terug kunnen we ook niet meer.”

“Wat zei hij?” vroeg de poema. David legde het uit.

“Geen probleem. Ik kan goed zien in het donker. Ik leid jullie de grot wel uit.”

David vertaalde voor de anderen.

“Ben je niet wijs?” brieste Tores, “daarnet wilde hij ons nog verscheuren.”

“We hebben weinig keus. Wil je liever hier blijven totdat de fakkel is opgebrand en dan in een of ander gat lopen?” vroeg David terwijl hij in het kwade gezicht van Tores keek.

Tores zei niets.

“Goed dan.”

 

Drie kwartier later liepen ze in totale duisternis door de grot. De fakkel was een paar minuten eerder uitgegaan. David had zijn hand op de rug van de poema, die ze vakkundig langs alle gevaarlijke delen van de grot leidde. De anderen liepen in een rij achter David. Istia achter David, gevolgd door Tores. Istia rilde af en toe nog van de schok die haar bijna-dood veroorzaakt had. David voelde het doordat haar hand trilde op zijn schouder.

“Je bent veilig Istia,” zei hij tegen het donker. Istia zei niets terug, maar kneep hem in zijn schouder om te laten weten dat ze het gehoord had.

David was niet bang meer voor het donker. Met een poema aan je zijde kon er weinig gebeuren.

“Waar moeten jullie eigenlijk heen?” vroeg de poema.

“Naar een kamp in het Woeste Land, maar we weten niet precies waar het ligt.”

“Een kamp. Voor zover ik weet is er maar één kamp. Ik kan jullie straks laten zien waar het ligt.”

David vertaalde voor de rest. Tores schudde in het donker zijn hoofd. In zijn hele leven was hij nog nooit zo van de ene verbazing in de andere gevallen als sinds hij de jongen had ontmoet. Hij moest er erg aan wennen.

Door een gat in de wand zagen ze het zand van de woestijn. Ze kropen erdoor naar buiten. Het was alsof ze tegen een muur van warmte opliepen. De zon had zijn hoogste punt bereikt en de lucht trilde van de hitte. David zag de spiegelingen in het zand, waardoor het leek alsof er water lag. Hij had het ook wel eens op asfalt gezien op hele warme dagen. Het zweet brak hem meteen uit. Hij bedankte de poema.

“Als je deze wand blijft volgen kom je vanzelf bij het kamp,” zei de poema.

“Kun je niet met ons meekomen?” vroeg David, “alle hulp is welkom.”

“Mij niet gezien,” zei de poema, “er zit daar een man die ik niet graag tegenkom.”

De poema groette David en ging er met een paar grote sprongen vandoor.

“Hij durfde niet mee,” zei David tegen de anderen.

Tores krabde zich op zijn hoofd, “als er iets in dat kamp zit waar zelfs poema’s bang van zijn, dan vrees ik het ergste.”

“We kunnen nu niet meer terug,” zei Istia en liep vastberaden weg.

David keek naar de sergeant. Tores haalde zijn schouders op en ging achter Istia aan. David volgde.

 

 

Hoofdstuk 38

 

Ze sjokten door het mulle zand langs de bergwand. De hitte was bijna ondraaglijk. David had zijn vest uitgetrokken. Hij keek naar Istia, die puffend voor hem liep. Zij had haar vest nog aan. Hij ging naast haar lopen.

“Gaat het?”

Istia gaf hem een vermoeide glimlach, “niet echt, wat een warmte”

“Trek dan je vest uit, het scheelt niet veel, maar wel iets.”

“Dat is niet netjes,” zei Istia.

“Ik denk niet dat het hier iemand iets kan schelen,” zei David, “we hadden beter wat water mee kunnen nemen. Ik hoop dat het kamp niet al te ver weg is.”

Tores liep een flink stuk achter hen, hij was erg stil sinds ze erachter waren gekomen dat de ziener gevangen genomen was. David vermoedde dat de sergeant een beetje verkikkerd was op Karia en dat hij zich ernstig zorgen maakte. Het gevoel was David niet onbekend. Misschien zou het allemaal goed komen als ze eenmaal de koningin bevrijd hadden.

“Nog bedankt,” zei Istia, die ondertussen haar vest had uitgetrokken en het over één arm had geslagen.

“Waarvoor?” vroeg David.

“Voor het redden van mijn leven natuurlijk.”

“Dat zou iedereen gedaan hebben, toch?” zei David. Hij geneerde zich een beetje. Hij had nog nooit een leven gered, laat staan dat hij er ooit voor bedankt was.

“Niet iedereen,” zei Istia, “ik weet zeker dat niet iedereen dat gedaan zou hebben.”

“Hoe voel je je?” vroeg David.

“Gaat wel, ik ben nog een beetje bibberig en ben nu al nerveus voor de terugreis door de grot, maar ik ben blij dat we onderweg zijn naar mijn moeder.”

“Tores en ik zijn bij je, we slepen je er wel doorheen,” David glimlachte naar Istia.

Istia lachte terug en David vroeg zich af waarom hij niet eerder had gezien hoe mooi Istia was.

 

Een kilometer verderop begon Myra zich danig zorgen te maken. Er klonken opgefokte stemmen buiten haar tent. Door de flap van de tent had ze eerder die avond Klos zien lopen. Ze begreep niet helemaal wat Klos in het kamp deed. Als Klos wist dat ze gevangen werd gehouden in het kamp, zou Palin dat ook moeten weten. En als Palin wist dat ze in het kamp was en niets deed, dan…

Myra kon zich wel voor haar hoofd slaan. Dat ze daar niet eerder aan had gedacht. Alle stukjes van de puzzel vielen in elkaar. De vraag was alleen: “Wat waren ze met haar van plan?”

Myra spitste haar oren en probeerde het gesprek te volgen.

“Waarom is ze nog niet dood?”

Haar hart sprong in haar keel. Ze herkende de stem, het was de stem van Klos.

“Omdat ik mijn twijfels heb over de goede bedoelingen van Palin,” klonk een andere stem. Myra rilde bij het horen van de stem. Er zat totaal geen gevoel in. Nee, er zat wel gevoel in, maar alleen haat.

“Het is heel simpel,” zei Klos, “als ze niet dood is, gaat de afspraak zeker niet door.”

Er volgde een geladen stilte.

“Ok, we gaan er nu voor zorgen,” hoorde ze de ander tegen Klos zeggen, “volg me.”

Myra hoorde de mannen weglopen. Ze zakte achterover. Het leven zag er ineens erg somber uit.

 

Klos volgde Karos naar zijn tent. Palin had per postduif de opdracht gestuurd om de ziener gevangen te nemen en daarna naar het Woeste Land te gaan om te zien of de bannelingen hun werk wel hadden gedaan. Helaas hadden ze dat niet gedaan. Het was een extreem warme dag, zelfs voor het Woeste Land. Er was niemand in het kamp die niet de schaduw van zijn eigen tent had opgezocht. Karos pakte een kruik water en schonk een beker vol. Het water was lauw, maar het smaakte hem best. Hij had al jaren geen echt koud water meer gedronken. Hij schonk nog een beker vol en gaf deze aan Klos. Klos nam een slok en trok een vies gezicht.

“Is ons water niet goed genoeg voor een heer van uw stand?” vroeg Karos.

“Nee, nee, natuurlijk niet,” zei Klos en nam nog een slok van het water, waarbij hij probeerde om zijn gezicht in de plooi te houden.

Karos ging zitten in de enige stoel in de tent.

“En hoe gaan we de koningin ombrengen?” vroeg hij.

Klos verslikte zich bijna in de slok water die hij net nam. “Hoe? Dat is toch uw taak?”

“Ik neem aan dat jij en Palin daar over hebben nagedacht. Er zijn zoveel verschillende manieren. Doodsteken, doodslaan, wurgen, onthoofden, ophangen of haar gewoon geen eten en drinken meer geven, wat hadden jullie bedacht?”

Klos trok wit weg. Hij had er nog helemaal niet aan gedacht. Hij had de koningin zelfs nog niet gezien. Hij was expres niet de tent ingegaan waar ze haar vasthielden. Het was zoveel makkelijker vervelende orders te geven in plaats van ze zelf uit te voeren.

Karos keek hem ongeduldig aan. “Nou? Wat hadden jullie bedacht?”

Klos slikte, “……”

“Wat?” vroeg Karos.

“We hadden eigenlijk gedacht, dat we het wel aan u konden overlaten.”

“Aha,” Karos knikte begrijpend.

“Heb je ooit iemand gedood?” vroeg hij aan Klos.

Klos schudde zijn hoofd.

“En toch wil je dat we de koningin nu ombrengen?”

Klos zei niets, hij had het gevoel dat het gesprek een hele verkeerde kant opging.

Karos stond op en rommelde wat in een kist die in de tent stond. Hij trok een blinkend mes tevoorschijn en hield hem voor Klos’ neus.

“Hier heb je een mes, jij mag het doen.”

Klos keek naar het mes.

“Dat kan ik niet,” zei hij met een trillende stem. Hij voelde de kracht uit zijn benen trekken bij de gedachte dat hij de koningin zou moeten doden.

“Ik gaf je geen keuze,” zei Karos, “ik gaf je een bevel en als je niet weet wat er met mensen gebeurt die mijn bevelen niet opvolgen, raad ik je aan even met de andere bannelingen te gaan praten.”

Klos keek in het grijnzende gezicht van Karos. Hij pakte het mes.

“Je weet waar ze zit,” zei Karos en ging weer in zijn stoel zitten, “ik hoor het wel als de klus geklaard is.”

Klos stopte voor de tent waar koningin Myra in zat. Zijn hart klopte in zijn keel en hij zijn benen trilde. Wat moest hij doen? Karos was niet iemand die loze dreigementen uitte en als hij het niet deed was zijn eigen leven niets meer waard. Hoe moeilijk kon het zijn? Hij stapte de tent in, zag in het donker het figuur van de koningin, sloot zijn ogen en stak toe.

 

 

Hoofdstuk 39

 

Sergeant Tores keek voorzichtig over de balen hooi, die bij de provisorische stal lagen. De koeien binnen de omheining keken hem nieuwsgierig aan. Hij moest niet vergeten om aan Janos te vertellen dat hij erachter was wie zijn koeien had gestolen. Als ze Janos ooit nog zouden zien natuurlijk. Maar eerst lag er een belangrijkere taak voor ze. Het was rustig in het kamp, niemand waagde zich buiten in deze hitte. Het kamp was groot. Tientallen tenten stonden door elkaar. Tores vroeg zich af hoe ze erachter moesten komen waar de koningin vastgehouden werd. Hij besloot terug te kruipen naar de anderen, misschien had David een idee. Die jongen was slim. Tores wierp nog een laatste blik op het kamp. Hij keek beter. Er had iets bewogen tussen de tenten. Hij hield zijn ogen op de plaats waar hij beweging had gezien en dook weer achter de balen hooi. Tores herkende het dikke figuur van Klos meteen. Langzaam kwam hij weer omhoog. Hopelijk had Klos hem niet gezien. Tot zijn ontzetting zag Tores dat Klos een mes in zijn handen had en bleef staan voor één van de tenten. Hij ging naar binnen en kwam tien seconden later weer naar buiten, lijkbleek en trillend op zijn benen. Klos liet het mes vallen en strompelde zonder er verder naar te kijken. Tores zakte op zijn buik en kroop terug naar de anderen die bij de waterput net buiten het kamp zaten.

 

De eerste bannelingen hadden hun best gedaan om water te vinden, en hadden gegraven en gegraven tot ze eindelijk water raakten. Om het gat hadden ze een heuse waterput gemaakt. David en Istia hadden al wat gedronken bij aankomst in het kamp en zaten nu te wachten op de terugkomst van Tores.

“Daar is hij,” zei David tegen de Istia.

“En?” Istia keek Tores verwachtingsvol aan.

“Ik denk dat ik weet waar je moeder zit,” zei de sergeant, “maar we moeten opschieten.”

Voorzichtig kropen ze tussen de tenten door. Uit de meeste tenten klonk een zacht gesnurk. Het was echt té warm om iets te doen. Ieder normaal mens zou binnen zitten met deze hitte. “Ieder normaal mens, behalve wij,” dacht Tores bitter. Ze bereikten de tent waar Klos uit was gekomen en slopen naar binnen.

“Moeder!”

Tores hield haar tegen, hij had Klos met een mes de tent uit zien komen en de koningin lag erg stil. Het was niet moeilijk om te zien wat de assistent van de raadsman gedaan had. De dikke engerd. Tores schudde zijn hoofd. Als ze een half uur eerder waren gekomen hadden ze Klos misschien kunnen tegenhouden. Istia probeerde zich los te trekken. Tores sloot zijn hand steviger om haar arm. Hij kon haar niet bij haar moeder laten. Ze mocht haar moeder niet zo zien. Daar zou ze nooit overheen komen.

“Niet kijken Istia,” zei hij.

David was bij de flap van de ingang blijven staan. Hij wist waarom Tores Istia tegenhield. Het was wat ze allen gevreesd hadden.

 

Klos liep de tent van Karos binnen.

“Is het gebeurd?”

Klos knikte, hij was misselijk.

“Laten we dan maar eens gaan kijken,” zei Karos.

 

Myra tilde haar hoofd op, “Istia?”

“Moeder!” Istia rukte zich los en rende op haar af. Ze vloog Myra om de nek.

Een jute zak gevuld met wol, die Myra al die tijd dat ze gevangen was, gebruikt had als kussen lag naast haar met een paar stevige scheuren erin. Myra zag dat Tores er met open mond naar keek.

“Klos probeerde me te vermoorden, maar zag niet dat hij het kussen stak dat ik voor me hield. Volgens mij durfde hij niet, want hij had niet eens zijn ogen open.” Myra glimlachte vermoeid naar Istia.

“We moeten hier weg,” zei Tores en hielp de koningin overeind. Hij deed niet eens meer moeite om zijn opluchting te verbergen. De koningin leefde nog! Maar het gevaar was nog niet geweken. Ze moesten eerst het kamp nog uit.

“Kunt u lopen?” vroeg Tores aan Myra, die onzeker op haar benen heen en weer zwaaide. Ze zat al weken in de tent en ze had weinig gelopen. Haar spieren waren slap van het stilliggen.

“Ja, het lukt wel,” zei ze nadat ze even had gestaan om haar benen te laten wennen.

“We gaan,” zei Tores.

Tores gooide de flap van de tent open en keek recht in het gezicht van Karos. Zijn jarenlange training nam het direct van hem over. Zonder een seconde na te denken ging hij over tot actie en sprong met een schreeuw naar Karos, die zijn evenwicht verloor en achterover viel. Tores landde bovenop de grote man en probeerde hem onder zich te houden. Klos keek verbaasd van de vechtende mannen op de grond naar de koningin die uit de tent kwam lopen. Gevoelens van opluchting wisselden gevoelens van woede af. Voor de zoveelste keer in zijn leven had hij gefaald. Voor de zoveelste keer had hij een simpele opdracht niet tot een goed einde gebracht, maar hij was zo blij dat hij nu geen moord op zijn geweten had.

“Rennen!” riep Tores tegen de anderen terwijl hij Karos een paar stompen verkocht.

Istia pakte haar moeder beet, sloeg een arm om haar middel en begon te lopen. David bleef staan.

“Jij ook!” riep de sergeant naar David.

“Maar…”

“Niks maar…lopen!”

David draaide zich om en rende tussen de tenten door. Hij liep recht in de armen van één van de mannen van Karos, die net zijn tent uitkwam om te kijken wat al die herrie te betekenen had. Hij probeerde zich los te wurmen. Tevergeefs.

 

Karos keek naar het gezicht van de wachter die op hem zat. Hij voelde de stompen nauwelijks, maar de wachter begon hem te vervelen. Met twee handen greep hij de wachter bij zijn middel en gooide hem van zich af. Karos kwam overeind. De man stond al weer op zijn benen. Karos voelde bewondering. Hij had meer moed dan alle bannelingen in het kamp bij elkaar. Zijn eigen mannen haalden het niet in hun hoofd om hem aan te vallen. De wachter sprong weer op hem af. Karos glimlachte. Hij vond het bijna jammer om te doen wat hij van plan was. Bijna jammer, maar niet helemaal. De wachter was vlak bij hem. Karos zwaaide zijn enorme arm en balde zijn vuist.

 

Steeds meer mannen kwamen uit hun tent en keken van de wachter die bewusteloos op de grond lag naar de slaande en schoppende jongen, die nu door twee mannen in bedwang werd gehouden.

“Waar wachten jullie op?” riep Karos, “achter de koningin en haar dochter aan!”

Een groepje rende meteen in de richting waar Istia en Myra heen waren gegaan. De rest bleef achter om Tores en David naar één van de tenten te slepen.

 

Myra, geholpen door Istia probeerde zo snel mogelijk te lopen. Achter zich hoorde ze schreeuwen. Ze keek wanhopig achterom. Vier mannen zaten ze op de hielen.

“Dit redden we nooit,” zei ze.

De vier mannen hadden niet veel moeite om de ontsnapte koningin en haar dochter te volgen. Een paar honderd meter buiten het kamp waren ze al bij hen.

“Stop maar,” riep één van hen, “het heeft toch geen zin.”

Myra en Istia draaiden zich hijgend om. Zweet prikte in de ogen van Istia en ze veegde het met haar hand weg. Ze keek naar de vier mannen. David en de sergeant waren nergens te bekennen. Ze wist zeker dat ze gepakt waren door de bannelingen. Alles was voor niets geweest. Istia keek om zich heen. Was er echt geen mogelijkheid meer om te ontsnappen? Vanuit haar ooghoeken zag ze iets bewegen bij de rotswand. Misschien was de poema terug en had hij besloten hen te helpen. Ze draaide haar hoofd voorzichtig opzij. Ze wilde niet dat de mannen zouden merken dat er iets op de rotswand zat. Het was de poema niet. Vanaf de rotswand sprong een donker figuur achter de vier mannen stilletjes op de grond. Istia glimlachte.

 

Wonk had de groep zien vertrekken vanaf het huis van Janos en Hertha en was ze zachtjes gevolgd. Hij kende de grotten niet, maar de geur van David en zijn goede nachtzicht hadden hem door de grotten geleid. Met de geur van zijn nieuwe vriend in zijn neus was hij richting het kamp getrokken en was net op tijd geweest om te zien dat Istia en iemand die hij niet kende, uit het kamp kwamen, gevolgd door vier ongure types. Hij had zich verstopt in de schaduwen van de rotswand.

 

De vier mannen draaiden zich om bij het horen van de plof in het zand en staarden in het woeste gezicht van Wonk. Eentje liet van schrik zijn zwaard vallen. Wonk stapte tussen de mannen. Istia sloot haar ogen. Het enige dat ze hoorde waren de klappen en het geschreeuw van de mannen en binnen een paar seconden was het allemaal voorbij. Istia opende haar ogen weer en keek naar de vier mannen die stil in het zand lagen. Wonk glimlachte trots naar haar.

“Wat is dat?” vroeg Myra. Ze kon haar ogen niet van het beest afhouden.

“Dat is Wonk moeder. Hij is een vriend. Hij heeft meegeholpen om mij vrij te krijgen.”

“Ongelooflijk,” zei Myra, “hij is niet gevaarlijk?”

“Alleen voor slechte mensen. Bedankt Wonk, maar we moeten hier ook nog weg.”

Wonk keek over zijn schouder naar het kamp en maakte een vragend geluid.

“David en de sergeant zijn gepakt, maar er zijn teveel mannen in het kamp, dat red je nooit.”

Wonk was nog niet overtuigd.

“We hebben je hulp nodig Wonk. Zonder jou komen we nooit door de grot terug naar Mythia.”

Wonk keek nog een keer treurig naar het kamp en liep naar Istia en Myra. Hij pakte Myra op in zijn armen en begon te lopen. Istia rende achter hem aan.

 

 

Hoofdstuk 40

 

De reis terug door de grot, ging makkelijker dan de heenweg. Wonk leidde ze met zijn nachtzicht langs gapende gaten, langs uitstekende stukken steen in de wand en langs verkeerde afslagen, die allemaal onherroepelijk leidden naar een zekere dood. Myra was door Wonk tot aan de ingang van de grot gedragen, maar had er daarna op gestaan dat ze de rest zelf liep. Ze had liever vaste grond onder haar voeten en zo kon Wonk zijn aandacht volledig richtten op de gevaarlijke wandeling. Istia had haar hand op de rug van Wonk en volgde afwezig zijn voetstappen. Haar gedachten waren bij David en Tores. Ze had nog wel gezien dat Tores in gevecht raakte met de man buiten de tent en vermoedde dat hij het gevecht verloren had. Tijdens de vlucht had ze alleen niet gezien wat er met David gebeurd was. Ze wist dat hij er vanaf het begin al niet meer bij was geweest. Istia maakte zich ernstig zorgen, maar het belangrijkste was nu om haar moeder in veiligheid te krijgen. Het was onmogelijk om David en de sergeant te bevrijden uit het kamp. Ze moesten eerst terug zien te komen in Mythia en daar besluiten wat ze gingen doen.

 

Karos keek de vier mannen grimmig aan. Ze stonden met gebogen hoofd voor hem.

“Ontsnapt,” het was geen vraag, maar een opmerking, “en wil iemand me uitleggen waarom vier mannen twee ontsnapte vrouwen niet aankunnen?”

Eén van de mannen kuchte en deed een stap naar voren, “ze hadden hulp baas.”

Karos trok zijn wenkbrauwen op, “hulp?”

“Ja baas. Van een monster. Bijna drie meter groot, helemaal behaard en zo sterk als een paard, baas.”

Karos keek naar de blauwe plekken op de gezichten van zijn mannen. Normaal gesproken zou hij ze niet geloven, het hele kamp bestond uit een zooitje leugenaars, maar de blauwe plekken. Ze zouden het natuurlijk zelf gedaan kunnen hebben, maar toch. Hij zou ze er later nog eens op aanspreken. Karos wuifde ze de tent uit en stond op. Het was tijd om de gevangenen te bezoeken.

 

Sergeant Tores zat bij te komen van de dreun die hij van Karos had gehad. Zijn kaak deed pijn en als hij zijn hoofd te snel bewoog zag hij sterretjes. Hun handen waren achter hun rug gebonden.

“Hoe gaat het?” vroeg David.

“Ik denk dat ik het wel overleef,” Tores keek om zich heen, “weet je of de koningin en de prinses veilig zijn weggekomen?”

David haalde zijn schouders op, “ik heb ze niet gehoord of gezien. Volgens mij wel.”

“Hmff, dan is het misschien toch nog niet helemaal een mislukking geweest.”

De flap van de tent werd opzij gerukt en Karos kwam naar binnen. David verbaasde zich weer over de grootte van de man, hij was bijna net zo groot als Wonk, een litteken ontsierde zijn gezicht. David vermoedde dat dit de man was waar de poema zo bang voor was geweest.

“Zo, zo,” zei Karos, “ik denk dat een felicitatie wel op zijn plaats is.”

“Hoezo?” vroeg Tores, die zijn meest gevaarlijke gezicht opzette.

“Nou ja, het lukt niet iedereen om het Woeste Land in te komen, het kamp van de bannelingen te betreden en een ontvoerde koningin te bevrijden. Dit allemaal buiten het feit dat deze sitiuatie natuurlijk zelden voorkomt.”

David en de sergeant keken elkaar aan, het was dus toch gelukt.

“Maar het zal voor jullie niet meer uitmaken. Of de koningin nu wel of niet leeft en wel of niet in Mythia is maakt niet zoveel uit. De raadsman heeft overal rekening mee gehouden.”

Karos stopte even om te zien of hij een reactie kreeg. David en Tores zeiden niets. Hij ging verder.

“De raadsman zal over een paar dagen in Loura aankomen. Morgen worden jullie naar Loura gebracht. De raadsman zal verder beslissen wat er met jullie gaat gebeuren.”

“Wat zit er voor jou in?” vroeg de sergeant.

“Wat denk je? Een vrije terugkeer in Mythia, Gyra’s om een nieuw leven op te bouwen en een stukje land,” Karos lachte.

“Geloof je het zelf,” zei Tores.

“Natuurlijk, de raadsman heeft het ons beloofd.”

“Denk je nou echt dat als de raadsman aan de macht is in Mythia, hij een zooitje tuig in zijn land wil hebben? Bij de eerste de beste mogelijkheid zal hij jullie laten vallen als een baksteen. Ik denk zelfs dat hij jullie de schuld zal geven van de ontvoering.”

Onzekerheid verscheen in de ogen van Karos. De sergeant verwoorde de twijfels die hij zelf vanaf het begin al had. Zijn humeur werd er alleen niet beter van.

“Dat zullen we nog wel zien,” zei hij met een ijzige klank in zijn stem en verliet de tent.

 

Myra ademde de frisse boslucht in. Na zoveel weken in de droge lucht van de woestijn was het een verademing om weer in Mythia te zijn. Al haar spieren deden pijn van de inspanning van de vlucht, maar ze genoot. Istia stond bij de ingang van de grot en probeerde Wonk ervan te overtuigen dat hij mee moest komen. Wonk die zich Janos nog goed herinnerde reageerde terughoudend.

“Kom nou mee,” zei Istia met haar zoetste stem, “Janos zal je niets doen.”

Wonk maakte geen aanstalten om mee te komen.

“Ik wou dat David en Laika hier waren. Zij zouden hem wel meekrijgen,” zei Istia tegen haar moeder.

“Als hij niet wil, kan je hem niet dwingen,” zei haar moeder.

Istia keek omhoog naar het gezicht van Wonk. Ze pakte zijn hand. Haar vingers kwamen niet verder dan de helft van zijn hand, maar het leek te werken. Wonk keek haar aan met een blik van angst.

“Kom mee, ik zal je beschermen tegen Janos en misschien hebben we je hulp nog nodig.”

Ze trok zachtjes aan zijn hand. Wonk liet zich door haar meevoeren. Myra liep achter ze aan en verbaasde zich over Istia. Haar dochter was in de laatste weken veranderd. Het leek of ze meer volwassen was geworden.

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |