Hoofdstuk 41

 

“Waar is David?” vroeg Hertha. Ze zaten allemaal in de boerderij, behalve Wonk die zich had teruggetrokken in de schuur.

“David en de sergeant zijn waarschijnlijk gepakt in het kamp. We weten niet wat er verder met ze is gebeurd, of wat er met ze gaat gebeuren,” zei Istia.

Hertha stond op en liep zonder iets te zeggen naar het slaapgedeelte in het huisje en trok de gordijnen achter zich dicht. Achter de gordijnen hoorden de anderen het gedempte geluid van haar huilen. Janos keek bezorgd.

“Ze is erg gesteld op David,” zei hij verontschuldigend tegen de anderen.

Istia knikte. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Janos stond op.

“Hoe is het met Laika?” vroeg Istia, die het huisje doorzocht met haar ogen en geen spoor van het elfje of de uil vond.

“Vlak nadat jullie weg waren, raakte ze weer bewusteloos,” zei Janos, “wat we ook probeerden, ze werd niet wakker en even later gloeide haar hoofd als een hete kool. Ik denk koorts of zo. De uil werd steeds onrustiger. Hertha besloot de deur open te zetten om wat koele lucht binnen te laten. Voor we het wisten had de uil Laika opgepakt en was hij ervandoor. Ik heb geen idee waarheen.”

“Laika en de uil zijn oude vrienden. Ik denk dat de uil wel weet wat het beste voor haar is.”

Istia staarde door het raam naar de bomen buiten. Vijf leden van hun groep waren uitgevallen. David en Tores werden vastgehouden in het Woeste Land. Laika was gewond en Oeroe was bij haar. En dan Karia, die had ze zelfs nog nooit ontmoet. Ze wist niet eens waar de ziener vastgehouden werd. Hoeveel zouden er nog volgen?

Janos liep naar de deur om naar buiten te gaan.

“Oh, wacht even,” zei Istia, “Wonk zit in de schuur, hij was bang dat je weer op hem zou schieten.”

Janos dacht na, “dan wordt het tijd dat ik mijn excuses aan ga bieden. Enig idee hoe?”

“Wonk is gek op brood, ik weet niet of je brood hebt?”

Janos liep naar een mand waar een doek overheen lag, rommelde onder de doek, trok een stevig stuk brood tevoorschijn en hield het omhoog.

“Misschien dat het daarmee lukt,” zei Istia.

Janos liep voorzichtig naar de schuur en keek door de open deuren naar binnen. Wonk had hem al aan horen komen en stond angstig om zich heen te kijken, op zoek naar een manier om de schuur uit te komen, maar de enige uitgang was de opening waar Janos in stond.

Janos hielde zijn handen omhoog in een poging niet gevaarlijk over te komen.

“Wonk. Ik heb brood voor je,” hij hield het stuk brood voor zich. Wonk keek ernaar alsof het een wapen was.

Janos zuchtte, “luister Wonk. Ik weet dat ik je de laatste keer niet echt goed behandeld heb, maar ik wil proberen om het goed te maken. Ik laat het stuk brood hier liggen.”

Janos legde het stuk brood bovenop een ton die naast de ingang stond, liep de schuur uit en ging weer naar binnen.

“En?” vroeg Istia.

“Hij vertrouwt me voor geen meter,” zei Janos.

“Hij draait wel bij.”

Hertha stond ondertussen weer in de keuken. In stilte bereidde ze een maaltijd voor.

Tijdens het diner staarde Janos meerdere malen naar Myra. In de drukte had hij zichzelf nog niet toegestaan om verbaasd te zijn over de aanwezigheid van de koningin van Mythia in zijn huis. Sinds ze David hadden leren kennen had hij meer meegemaakt dan in de laatste twintig jaar. Na het eten stopte Janos een pijp. Binnen een mum van tijd kringelde de rook omhoog.

“Wat zijn jullie van plan?” vroeg hij.

Istia en Myra keken elkaar aan. Ze wisten het niet.

“Het lijkt me verstandig als jullie voorlopig hier blijven,” zei Janos, “dan kunnen jullie lekker uitrusten en lopen jullie geen gevaar. Ik zal morgen het dorp in gaan om te kijken of ik iets kan ontdekken.”

 

 

Hoofdstuk 42

 

De zon stond hoog aan de hemel. David en Tores lagen achterop een kar, hun handen en voeten aan elkaar gebonden zodat ze niet konden ontsnappen. De kar rolde door de straten van Loura. David was een behoorlijke tijd in Loura geweest en de mensen die hem herkenden, keken hem verbaasd na.

“Wat denk je dat er gaat gebeuren?” vroeg hij aan Tores.

De sergeant keek grimmig voor zich uit, “ik wou dat ik het wist.”

 

Achter ze reden Klos en Karos zij aan zij. Klos keek af en toe nerveus naar Karos. Hij was er niet gerust op dat alles goed zou komen. Tenslotte was het zijn schuld dat de koningin niet dood was. Karos had het er niet meer over gehad, maar dat zei niets. Klos vroeg zich af hoe de raadsman zou reageren op zijn falen.

 

Palin zat in een koets die met een enorme vaart over de bospaden denderde. Hij was nog niet gestopt, behalve om van paarden en koetsier te wisselen. Hij had ervoor gezorgd dat bij ieder dorp tussen het Paleis en Loura een nieuwe koets met frisse paarden en een wakkere koetsier stond. Hij was bijna in Loura. Palin probeerde een beetje te slapen op de harde banken van de schokkende koets. Hij wist nog niet wat er aan de hand was, maar had een raar voorgevoel. Hij moest zo snel mogelijk in Loura zijn.

 

De kar stopte voor het wachterhuis en David en Tores werden uit de kar geholpen door Tarem, die had staan wachten op hun komst. Zijn gezicht was nog steeds blauw van zijn ontmoeting met de spierkracht van Wonk. Ze werden naar de cel geleid. In de cel sneed Tarem de touwen door waarmee hun handen achter hun rug gebonden zaten, daarna sloot hij de celdeur en verliet het wachterhuis, waardoor ze helemaal alleen achterbleven.

“Hier zijn we al een keer geweest,” zei David terwijl hij over zijn pijnlijke polsen wreef.

“Maar ik denk, dat we dit keer niet op hulp kunnen rekenen,” zei Tores.

Hij had de vorige keer al uitgebreid gekeken of er een mogelijkheid was om uit de cel te komen en ging tegen één van de muren zitten. David ging op het bed liggen. Het enige wat ze konden doen was wachten.

 

Later op de dag in een hotelkamer in Loura zweette Klos peentjes.

“Ontsnapt? Hoe is dat mogelijk?” Palin liep rood aan van woede.

Klos schuifelde langzaam achteruit, weg van de woedende blik.

“Maar we hebben de sergeant en een of andere jongen te pakken gekregen,” zei hij.

“Mijn kamer uit!” riep Palin. Klos liet het zich geen twee keer zeggen.

Palin ijsbeerde door de kamer met zijn handen op zijn rug. Hij stopte, haalde een paar keer diep adem, en ging in de stoel bij het raam zitten. Buiten liepen mensen af en aan. Het was een marktdag geweest, de niet verkochte koopwaar werd weer mee naar huis genomen en mensen waren bezig de kraampjes af te breken. Palin dacht diep na. Na een paar minuten verscheen er een kleine glimlach op zijn gezicht. Hij liep naar de deur van de kamer en riep Klos weer bij zich.

“Zorg ervoor dat zo snel mogelijk de spreekstoel op de marktplaats gebruikt kan worden. Ik wil een toespraak houden voordat alle mensen weg zijn.”

 

Janos liep tussen de mensenmassa door op zoek naar geruchten over David of de sergeant. Een aantal maal kwam hij een bekende tegen en vroeg dan, na de verplichte groet, of ze iets vreemds gezien of gehoord hadden, maar ze wisten nog minder dan hij. Een vrouw met een halfvolle wagen ramde tegen hem aan terwijl hij om zich heen stond te kijken. Het was te druk om te zoeken, tijd om naar huis te gaan. Misschien zou hij de volgende dag meer geluk hebben. Nu liep hij alleen maar in de weg. Hij liep de marktplaats af.

“Uw attentie! Luistert allen naar de raadsman van de koningin.”

Janos draaide zich om en zag een dikke man van de spreekstoel afkomen. Een lange, dunne man nam zijn plaats in.

“De raadsman?” dacht Janos en liep terug door de menigte, die was gestopt met het inpakken van hun spullen, en in stilte naar de spreekstoel keek.

 

Palin keek naar de mensen om hem heen. Hij kuchte en sprak met een luide stem.

“Zoals u misschien gehoord heeft zijn de koningin en haar dochter een aantal weken geleden ontvoerd. Door de inzet van een aantal loyale mannen is de waarheid naar boven gekomen. Het spijt me u te moeten meedelen, dat de koningin en haar dochter niet meer leven.”

Een schok ging door de menigte. Palin wachtte rustig, met een ernstig gezicht totdat het geroezemoes van de mensen op de marktplaats weer ophield.

“Deze vreselijke daad zal niet onbestraft blijven. Ik kan u meedelen dat de daders gepakt zijn en momenteel zwaar bewaakt worden.”

Weer moest hij stoppen tot het rumoer over was.

“Als plaatsvervangend hoofd van het koninkrijk Mythia heb ik de onaangename taak een vonnis te vellen over de daders. Hoewel ik geen voorstander ben van zware straffen kan ik niet anders dan deze daad vergelden met de zwaarste straf die Mythia kent.”

Palin schraapte zijn keel en hield een moment stilte voor het effect op de menigte.

“Morgenmiddag, klokslag 12 uur zullen de daders op deze marktplaats terechtgesteld worden door middel van ophanging. Ik dank u allen voor uw aandacht.”

Palin liep door de mensen terug naar het hotel, op de voet gevolgd door Klos. Inmiddels waren overal drukke gesprekken gaande, niemand was meer bezig met het opruimen van de marktplaats.

“Laat iemand zo snel mogelijk een galg maken voor drie personen,” zei Palin.

“Drie personen?” vroeg Klos.

“Je denkt toch zeker niet dat ik de ziener laat leven?”

 

De buitendeur van het wachterhuis ging open en David en Tores keken tegelijk op. Twee mannen kwamen binnen, ze hadden Karia tussen zich in geklemd. Eén van hen opende de deur en duwde haar naar binnen.

“Geniet nog maar even van hun gezelschap, morgen is het voorbij.”

“Waar heeft hij het over?” vroeg David aan Karia. Zij wist het ook niet.

De celdeur werd weer gesloten en de mannen verlieten het wachterhuis.

Sergeant Tores liep op Karia af en leidde haar naar het bed waar ze naast elkaar gingen zitten.

“Hoe gaat het? Hebben ze je slecht behandeld?”

“Niet echt. Ik werd vastgehouden in mijn eigen huis. Ze kwamen nadat jullie de prinses bevrijd hadden. Wat is er gebeurd?”

“Weet je dat niet?” vroeg David.

Karia schudde haar hoofd, “het laatste visioen dat ik heb gehad was die waardoor ik wist waar de prinses was. Ik ben nog nooit zo lang mijn gave kwijt geweest. Ik zie nog wel af en toe beelden, maar kan ze niet meer plaatsen. Ik ben bang dat jullie aan mij voorlopig niets hebben.”

Tores wilde Karia op haar gemak stellen door te zeggen dat ze zonder haar gaven ook belangrijk was, maar werd onderbroken door de openzwaaiende deur van het wachterhuis.

“Palin,” zei Tores.

Palin liep naar de cel en keek naar de gevangenen. Zijn gezicht een masker zonder uitdrukking.

“Zo sergeant Tores, eindelijk zien we elkaar weer,” hij richtte zijn aandacht op David,

“en, uit wat ik gehoord heb, maak ik op dat jij een behoorlijk lastig mannetje bent geweest.”

David keek naar het gezicht van Palin. Hij snapte niet dat niemand eerder had gezien wat voor een man dit was. Hij zag meteen dat er iets heel erg mis was met de raadsman.

“Maar ik ben hier niet gekomen voor een praatje,” zei Palin, “als raadsman en vervangend hoofd van het koninkrijk Mythia is het mijn taak jullie te vertellen, dat jullie morgen om 12 uur opgehangen zullen worden op de marktplaats van Loura vanwege de moord op de koningin en haar dochter.”

“Wat?” riep David, “de koningin en de prinses zijn nog gewoon in leven!”

“Dat weet jij en dat weet ik, maar dat weet de bevolking van Loura en uiteindelijk Mythia niet.”

“Je komt hier niet mee weg!” zei David.

“Ik denk het wel,” zei Palin, “sterker nog, ik weet het zeker.”

Palin draaide zich om en verliet het wachterhuis. Tarem en Kreg kwamen binnen.

“De raadsman biedt jullie een laatste maal aan. Wat zal het zijn?”

David keek naar Karia en Tores. Karia had haar hoofd op de schouder van Tores gelegd en Tores had zijn arm om haar heen geslagen. Ze keken allebei naar de grond.

“Sodemieter op met je eten,” zei David, “voer het maar op aan die raadsman van je, ik hoop dat hij er in stikt.”

“Wat je wilt,” zei Tarem, die Kreg aantikte en naar de deur wees. Ze verlieten het wachterhuis.

David ging tegen de muur zitten en staarde naar de grond. Dit ging niet goed. In al de tijd dat hij in Mythia was geweest, had hij er eigenlijk niet over nagedacht dat het hem zijn leven zou kunnen kosten. En nu. Opgehangen worden in Loura hoorde niet in het plan. David dacht aan de dood. Hij was bang.

Tores keek op en zag het gezicht van David. “Kom op. We zijn nog niet helemaal verloren.”

“Het lijkt er anders wel verdraaid veel op,” zei David.

 

Janos stormde op zijn paard over de zandwegen naar huis. Zijn hart bonkte in zijn keel. Thuis aangekomen stuurde hij het paard de stal in, sprong ervan af en rende het huis in. Istia had Wonk ervan weten te overtuigen dat Janos niet gevaarlijk was en die zat nu net als de rest binnen te wachten, hoewel hij wantrouwig naar de net binnengekomen Janos keek.

Istia liep op de hijgende Janos af. “Wat ben je te weten gekomen?” vroeg ze ongeduldig.

Janos stond met zijn armen op zijn knieën. Hij moest even op adem komen. Istia had het niet meer.

“Morgen…executie…marktplaats.”

“Wat?” riep Istia, “David en Tores?”

Janos knikte.

“Hoe weet je dat?” vroeg Myra.

Janos vertelde wat er op de marktplaats was gebeurd.

“We moeten met een plan komen,” zei Hertha.

“Ik heb wel een idee, maar dan moeten jullie me wel helpen,” zei Myra.

De anderen keken haar verwachtingsvol aan.

 

 

Hoofdstuk 43

 

David schrok wakker van het geluid van sleutels in de celdeur. Tores en Karia waren al op. Vier gewapende mannen kwamen de cel binnen. Eén van hen bleef bij de deur van de cel staan, terwijl de andere drie de handen van de gevangenen achter hun rug bonden. Daarna werden ze de cel uitgeleid. Palin stond al klaar in de wachterruimte.

“Zo. Het is bijna twaalf uur. We mogen de menigte niet laten wachten,” Palin had een brede glimlach op zijn gezicht.

Tores rukte zich los van zijn bewaker en rende op de raadsman af. Hij raakte Palin met zijn hoofd vol in de maag en landde bovenop hem op de grond. Met zijn armen op zijn rug kon hij weinig anders doen. Palin hapte naar adem, zijn glimlach was verdwenen.

“Die had je nog van me tegoed,” zei Tores terwijl hij van de raadsman af werd getrokken. Palin krabbelde overeind.

“Neem ze mee!” schreeuwde hij woedend tegen de bewakers.

 

Op de marktplaats stonden honderden mensen. Bijna heel Loura was uitgelopen om de executie te zien. Timmerlui hadden de hele nacht doorgewerkt om het schavot af te krijgen. Een houten podium met twee palen, een dwarsbalk, drie touwen en drie krukjes waren het gevolg. In de menigte stonden een drietal figuren. Istia, Myra en Wonk waren allen gekleed in een cape die hun gezichten verborg. Sommige mensen om hen heen keken argwanend naar Wonk. Hoewel niets van zijn lichaam te zien was viel zijn grootte op. Naast en voor het podium stonden de mannen van Karos om de menigte op afstand te houden. Karos stond zelf op het podium, met zijn armen over elkaar, te wachten op wat komen zou.

 

David, Tores en Karia werden door de straten naar de marktplaats geleid. Een beul, een zwarte kap over zijn hoofd om zijn gezicht te verbergen, liep voor ze uit. Ze bereikten de marktplaats en werden onder luid boegeroep door de menigte geloodst, die voor ze week alsof ze een besmettelijke ziekte hadden. Ze werden het podium opgeduwd. Bewakers hielden ze op de krukjes terwijl de beul één voor één de touwen om hun nek deed en de knoop aantrok. Palin kwam aanlopen en stapte het podium op. De menigte viel stil.

“Aanschouw de moordenaars van de koningin en de prinses,” riep hij.

“Uit naam van het koninkrijk Mythia zal de zwaarst mogelijke straf vandaag worden uitgevoerd. Recht zal zegevieren in Mythia!”

Palin draaide zich naar de beul, “doe uw werk.”

De beul liep naar de kruk waar David op stond en maakte aanstalten om hem weg te trappen. David was nog nooit in zijn leven zo bang geweest. Zijn hart bonkte zo hard dat het zijn gedachten overstemde. Diep van binnen geloofde hij niet dat het echt gebeurde. Leek het een slechts een nachtmerrie. Hij sloot zijn ogen.

“Stop!” klonk er uit de menigte. De beul stopte en keek door de gaten in zijn masker naar Palin.

Palin had zich omgedraaid en keek naar de plek waar de stem vandaan was gekomen.

“Wie durft te spreken tijdens de terechtstelling?” vroeg hij.

Janos stond een eind van het podium af. “Ik,” riep hij, “hoe weet u zo zeker dat deze mensen verantwoordelijk zijn voor de dood van de koningin en haar dochter?”

Palin liep naar de rand van het podium en keek naar Janos.

“Dat zal ik u allen vertellen. Tores is een ontsnapte gevangene. Als sergeant in de koninklijke wacht was hij verantwoordelijk voor het vangen van de moordenaar van de koning. Helaas faalde hij hopeloos in zijn taak. De moordenaar ontsnapte. Hiervoor werd hij veroordeeld door de koningin. Verbanning naar het Woeste Land was zijn straf. Tores ontsnapte en zwoer wraak op de koningin. Uit angst voor een aanslag werd de koningin overgebracht naar een schuilplaats buiten het paleis. Zonder succes. Met hulp van de ziener is hij achter de schuilplaats gekomen. Hij is de schuilplaats binnengedrongen en heeft de koningin en haar dochter ontvoerd in de hoop dat dit hem vrijheid op zou leveren. Na weken zoeken vonden de wachters hem hier in Loura. Hij hield de koningin en de prinses gevangen in het huis van de ziener. Vele mensen kunnen dat beamen. De ziener ontving de laatste weken geen klanten meer. Voordat er een bevrijdingspoging gedaan kon worden had de ziener in een visioen al gezien dat de wachters wisten waar de koningin werd vastgehouden. In een laatste wanhoopsactie pleegde de sergeant zijn gruwelijke daad. De wachters kwamen te laat, maar niet te laat om de daders te pakken.”

“Waar haalt hij het vandaan?” dacht David bitter.

“En de jongen?” riep Hertha, die zich ergens anders in het publiek had verstopt. “Hoe past hij in dit verhaal?”

“De jongen is een leerling van de ziener,” zei Palin, die duidelijk had nagedacht over een plausibel verhaal, “hij heeft al die tijd bij haar gewoond en heeft niets tegen de wachters van Loura gezegd. Hij is medeplichtig aan de moorden en zal hiervoor moeten boeten.”

Palin keek tevreden om zich heen, “en nu zullen we verder gaan…”

“Wat als ik kan bewijzen dat ze de koningin en haar dochter helemaal niet hebben vermoord!” riep Janos en knikte naar Myra en Istia, die een aantal meter bij hem vandaan stonden.

Myra en Istia gooide hun cape op de grond.

“Aanschouw de koningin en haar dochter!” zei Janos.

De mensen om Myra en Istia heen maakte ruimte. Achter op de marktplaats gingen mensen op hun tenen staan om te kunnen zien wat er nou allemaal precies aan de hand was. Myra en Istia liepen door de menigte naar het podium. Wonk liep, nog steeds verborgen in de cape, achter ze aan.

Palin keek naar het woedende gezicht van de koningin. Zijn hersens draaiden op volle toeren.

Myra en Istia bereikten het podium.

“Laat ze gaan,” zei Myra.

“Is er geen einde aan deze vertoning!” zei Palin en hief theatraal zijn handen naar de hemel.

“Geachte aanwezigen. Ik kan u garanderen dat dit niet de koningin en de prinses zijn.” Hij richtte zich tot Myra. “Mevrouw, ik weet niet wat u hiermee probeert te bereiken, maar ik kan u garanderen dat het u niet zal lukken. Moet u kijken hoe u en uw dochter gekleed zijn.”

Myra keek naar haar kleding en naar de kleding van haar dochter. Ze zagen er inderdaad uit als gewone dorpelingen. Ze had er niet bij stilgestaan dat er helemaal niemand in Loura was die haar gezicht kende.

Doodse stilte heerste op de marktplaats. Het was de menigte niet duidelijk wat er nu allemaal aan de hand was. Myra en Istia werden ingesloten door de mannen van Karos. Iemand in het publiek gilde. Wonk had zijn kleed afgeworpen en brulde luid. Zijn vriend David stond met een touw om zijn nek op een wankel krukje. Hij was niet van plan om nog langer niets te doen en rende op het podium af. De ongelukkigen die in zijn weg stonden, werden hardhandig uit de weg geduwd. Hij sprong het podium op en liep op Palin af. Een laag gegrom klonk uit zijn keel. Palin liep met grote angstogen achteruit totdat hij met zijn rug Karos raakte, die nog steeds met zijn armen over elkaar stond en het hele tafereel met een halve grijns op zijn gezicht volgde.

“Hulp nodig?” vroeg Karos.

“Wat denk je zelf?” zei Palin fel.

Karos floot naar zijn mannen, die onwillig, maar banger voor Karos dan voor Wonk, het podium opkwamen. Ze doken op Wonk, die er ondanks een paar rake klappen, achterkwam dat zelfs hij niet sterk genoeg was om zoveel man aan te kunnen.

“Bindt hem vast!” riep Karos.

Palin kwam van het podium af en liep op Myra en Istia af. Wonk lag vastgebonden op de grond. Een paar van Karos’ mannen stonden over pijnlijke lichaamsdelen te wrijven. Palin stopte bij Myra, hield zijn mond bij haar oor en fluisterde: “deze mensen kennen je niet, sterker nog het interesseert ze niet eens. Ze zijn gekomen voor een executie en die gaat gewoon door. En als dit is afgelopen zal ik besluiten wat ik met jullie ga doen.”

Palin knikte naar de beul op het podium.

“Wacht eens!” klonk er uit het publiek, “de koningin en haar dochter zijn een aantal weken geleden bij mij te gast geweest en ik weet zeker dat dit de koningin en haar dochter zijn.”

Alle hoofden draaiden naar de baas van de taveerne die Myra en Istia zo vriendelijk ontvangen had.

“En als de raadsman onze wachter gisteren niet had weggestuurd met een boodschap voor het paleis,” ging de baas verder, “dan had hij ook kunnen verklaren dat dit de koningin en haar dochter zijn.”

“Genoeg,” schreeuwde Palin, “je liegt! Het is een complot! Beul! Doe je werk!”

De beul liep op de kruk van David af en trapte hem weg. Istia gilde. Hertha sloeg haar handen voor haar ogen. Janos draaide zijn hoofd weg.

David voelde het touw om zijn nek straktrekken. Hij probeerde te ademen, maar het lukte niet. Hij worstelde en voelde het touw nog iets strakker trekken. De pijn in zijn longen werd langzaam erger en hij begon zwarte vlekken voor zijn ogen te zien. Vreemd genoeg was hij niet bang meer.

“Dus dit is het,” dacht hij, “zo eindigt het allemaal.”

 

Palin keek omhoog naar de jongen. Het was precies zo gelopen als hij had verwacht. Niets stond hem nu nog in de weg om de machtigste man van Mythia te worden. Hij glimlachte.

 

Karia staarde verbijsterd naar David, die langzaam blauw aan begon te lopen. Ze keek weg en vond het gezicht van Karos. Karos stond geïnteresseerd naar het schouwspel te kijken. Beelden uit de toekomst schoten over Karia’s netvlies.

“Karos! Jullie worden belazerd door de raadsman,” riep Karia, “zodra hij het koninkrijk heeft overgenomen worden jullie weer verbannen naar het Woeste Land.”

“Luister niet naar haar! Ze liegt!” riep Palin boven de steeds luidruchtiger wordende menigte uit. De mensen op de marktplaats hadden de laatste paar minuten veel gehoord en ze stonden met elkaar te discussiëren wie er nu precies de waarheid sprak. Karos keek naar Palin. Hij was misschien een losgeslagen bruut, maar had een enorme mensenkennis. De stem van de raadsman sprak boekdelen. Hij hoorde de angstige trilling in zijn stem die verraadde dat de ziener de waarheid sprak. Zonder een woord te zeggen trok Karos een mes dat onder de band van zijn broek geklemd zat, en gooide het met een duivelse precisie naar het touw waar David aan hing. Het mes sneed het touw doormidden. David landde op het podium. Hij zakte door zijn benen, trok de strop los en hapte naar adem. Kreten van goedkeuring kwamen uit het publiek. Palin staarde verbaasd naar de jongen die probeerde op te staan, maar weer op de grond zakte.

“Maak de anderen los,” zei Karos tegen de beul.

Tores en Karia, bevrijd van het touw rond hun nek renden op David af. Karia trok David in haar armen. David hoestte een paar keer flink en zoog lucht in zijn longen. Hij wist niet dat ademen zo lekker kon zijn.

Palin keek naar Karos die op hem af kwam en daarna naar de mensen om hem heen, die nog aan het besluiten waren of ze iets moesten doen of niet. Aan hun gezichten zag Palin dat ze waarschijnlijk tot het besluit zouden komen wél iets te doen. De koningin werd nog steeds vastgehouden door de verbaasde mannen van Karos, die geen idee meer hadden van wat er allemaal aan de hand was. Palin greep het heft van het zwaard van de man die het dichtst bij stond en duwde met zijn volle gewicht tegen hem aan. De man viel achterover en liet het zwaard los. Palin draaide vliegensvlug om de koningin, pakte haar van achteren vast en zette het zwaard op haar keel.

“Als er iemand in de buurt komt is de koningin er geweest,” riep hij wanhopig.

De mensen om hem heen deden een paar stappen achteruit.

Tores pakte op het podium Karos bij de arm en hield hem tegen, “niet dichterbij komen, hij is er gek genoeg voor.”

Palin keek om zich heen als een kat in het nauw op zoek naar een uitweg. Hij begon voorzichtig achteruit te lopen.

Istia stond er vlak bij maar wist niet wat ze moest doen. Onzeker en bang keek ze naar David, die nog steeds op de grond lag.

David probeerde op te staan, maar zakte weer door zijn benen. Hij moest iets doen, maar had geen idee wat. Als Palin ontsnapte met de koningin was ze haar leven niet zeker. Iets trilde op zijn borstkast. David voelde met zijn hand in zijn kraag, trok de ketting tevoorschijn en hield hem voor zijn gezicht. De munt bewoog wild heen en weer. Blauw licht trok langs de randen van de munt en vonken sprongen over zijn handen. Het blauwe licht begon steeds feller te schijnen en golfde over de marktplaats totdat het zo fel was, dat ondanks de zonnige dag, niemand meer iets zag behalve het licht. Beelden drongen de hoofden van alle mensen op het plein binnen. Beelden met een verhaal. Een verhaal uit een ver verleden.

 

 

Hoofdstuk 44

 

De mensen op de marktplaats zagen een jongen die opgroeide in een klein dorpje in het midden van Mythia. Zijn leven verliep goed, ondanks de armoede van zijn ouders. Zijn vader zorgde er voor dat er altijd eten op tafel stond. Al moest hij daar vaak zestien uur per dag voor werken op één van de koninklijke boerderijen, waar hij de paarden en kippen verzorgde, de koeien molk, en het land bewerkte en dat alles voor een hongerloontje. De moeder van de jongen zorgde voor het huishouden. Als enig kind werd de jongen al snel volwassen en hielp mee om thuis alles op orde te krijgen. Het mooiste moment van de dag was als zijn vader na een dag hard werken thuis kwam. Moe als hij was, nam hij dan altijd even de tijd om met zijn zoon te praten. De jongen hield veel van zijn vader. In zijn dertiende levensjaar sloeg het noodlot echter toe. Jaren van enorme droogte putte het land van Mythia uit. De groenteteelt verdorde in de verzengende hitte, onder het vee was een enorme sterfte en de boerderij waar zijn vader al meer dan dertig jaar had gewerkt moest dicht omdat er gewoonweg niet genoeg werk meer was. Zonder werk geen eten, en voor het eerst in zijn leven kende de jongen honger. Zijn vader, nu hele dagen thuis, zat meestal in een stoel bij het raam naar buiten te staren. De jongen probeerde met hem te praten, net als vroeger, maar het was alsof zijn vader hem niet hoorde. Zijn normaal zo vrolijke vader trok zich terug in een eigen wereld waar zelfs zijn moeder hem niet kon bereiken. Maar op een avond kon zijn moeder het niet meer aan en ontstond er een enorme ruzie. De jongen rende naar zijn kamer en ging op bed liggen met zijn handen over zijn oren, maar zelfs zo kon hij de ruzie horen.

“Ik ben het zat dat je hier de hele dag maar zit, ga wat doen, zorg eens voor je gezin!” hoorde hij zijn moeder schreeuwen.

“Wat denk je dat ik gedaan heb? Niemand wil me hebben!” schreeuwde zijn vader.

“Er moet toch iets gebeuren, we hebben al maanden niets fatsoenlijks te eten gehad!” zijn moeder weer. Haar stem trilde en sloeg over.

Een stoel schoof en viel om, daarna klonk het dichtslaan van de deur. De moeder van de jongen huilde. De jongen ging niet naar haar toe. Hij vond dat zijn moeder onredelijk was geweest. Boos en verward viel hij in slaap.

De ochtend kwam en zijn vader was nog steeds niet thuis. Zijn moeder stond voor het raam en staarde naar buiten, in de hoop haar man te zien. Haar man kwam niet, wel iemand anders. Tegen het middaguur liep een wachter naar de deur van het huisje en klopte op de deur. Zijn moeder deed open.

“Ja?” vroeg ze door de kier van de deur.

“Het is mijn taak u mee te delen dat uw man is gearresteerd vanwege diefstal.” sprak de wachter.

Haar mond viel open. “Hoe? Wat is er gebeurd?”

De wachter vertelde het verhaal. Zijn vader was na de ruzie naar één van de boerderijen gelopen die nog open was en had daar een kip gestolen. Een werker op de boerderij had hem gezien en had de wacht gealarmeerd. Op weg terug naar huis was hij opgepakt en ze hadden hem opgesloten.

“Wat gaat er met hem gebeuren?” vroeg de moeder met tranen in haar ogen.

“Dat besluit de koning, mevrouw.”

Moeder kleedde zichzelf en haar zoon aan en vertrok naar het paleis van de koning. Ze hadden geen paarden en moesten te voet. De reis duurde drie dagen. ‘s Nachts klopten ze aan bij vreemden van wie de meesten hen lieten overnachten. Overdag liepen zij.

Na drie uitputtende dagen kwamen ze aan bij het paleis. Ze werden tegengehouden door twee wachters bij de poort.

“Ik moet de koning spreken,” sprak zijn moeder.

De twee wachters barstten in lachen uit.

“Iedereen wil de koning spreken mevrouw. Waarom denkt u dat we voor u en uw zoontje hier een uitzondering zouden maken?”

“Mijn man is gearresteerd en ik wil de koning spreken,” de vastberadenheid van een vrouw, die drie dagen met haar zoon had gelopen en niet van plan was zich te laten wegsturen door een paar simpele wachters, klonk door in haar stem. De wachters stopten met lachen. Eén van hen leidde de moeder en haar zoon naar de grote hal.

“Wacht hier,” zei hij.

De jongen keek zijn ogen uit. De schilderijen en tapijten, de gouden kroonluchters, de satijnen gordijnen, zoveel rijkdom had hij in zijn hele leven nog niet gezien.

De raadsman van de koning wilde ze wel ontvangen en ze werden door de wachter naar een kamertje geleid waar de raadsman op ze wachtte.

“Uw man heeft een ernstige misdaad begaan mevrouw. In deze tijd van schaarste staat diefstal van voedsel gelijk aan moord,” sprak hij.

“Ik weet het, heer, maar het is mijn man en hij is alles wat mijn zoon en ik hebben. Mijn man was die avond niet helemaal bij zinnen. We hadden ruzie gehad en sinds hij ontslagen is ging het allemaal zo slecht.”

“Een heleboel mannen zijn ontslagen de afgelopen tijd. Die mannen gaan er ook niet op uit om te stelen.”

“Ik weet het,” zei de moeder, die haar hoofd liet hangen en probeerde haar tranen te bedwingen, “wat gaat er met hem gebeuren?”

“De koning heeft uw man veroordeeld. De koning wil niet dat er meer mensen in zijn rijk het voorbeeld van uw man gaan volgen. Hij zal als voorbeeld ter dood gebracht worden.

De moeder barstte in huilen uit.

“Oh alstublieft! Oh alstublieft! Is er niets dat u kunt doen?” smeekte ze de raadsman.

De raadsman staarde een lange tijd uit het raam naar de bossen achter het paleis en stond daarna op.

“Ik zal zien wat ik kan doen,” hij verliet de kamer.

De jongen keek naar zijn moeder. Zijn moeder keek terug en lachte naar hem door haar tranen heen. Hij had zich nog nooit zo machteloos gevoeld.

Na tien minuten keerde de raadsman terug naar de kamer.

“Het spijt me mevrouw. Ik heb met de koning gesproken en hij blijft bij zijn besluit. Er is niets wat ik kan doen.”

Stil verlieten ze de kamer en werden door een wachter naar buiten geleid. Op weg naar buiten kwamen zij weer door de hal waar een dienaar met een groot blad met daarop een grote gebraden kip, salade en broodjes hen passeerde.

De jongen zag zijn vader nooit meer. Zijn moeder was daarna niet meer dezelfde, overleed van verdriet een aantal jaar later en liet de jongen alleen achter. Hij dacht vaak aan zijn vader en zijn moeder, maar wat hem het meest bijbleef was het enorme blad met eten. Zijn vader had voedsel gestolen voor zijn gezin en was daarvoor met de dood gestraft en de man die hem had gestraft, had alle rijkdom en voedsel wat iemand zich maar kon wensen. Verdriet maakte na een aantal jaren plaats voor iets anders in het hart van de jongen. Verdriet maakte plaats voor woede en hij dacht nog slechts aan één ding: wraak.

De droogte stopte en de welvaart keerde terug naar Mythia. In de nieuwe tijd had de jongen, ondertussen een man, geen moeite om werk te vinden. Hij bleef in het huis van zijn ouders wonen. Van het geld dat hij verdiende, ging maar een klein gedeelte op aan eten. De rest spaarde hij. Hij ging nooit uit. Hij werkte, at en sliep, verder niets. Na vier jaar onafgebroken werken had hij genoeg geld gespaard. Hij verkocht het huis van zijn ouders en kocht een huisje in Dorma. In Dorma was de enige school in heel Mythia gevestigd. Hij schreef zich in. Van het overgebleven spaargeld kon hij makkelijk rondkomen zonder erbij te werken en dus kon hij al zijn tijd in de studie steken en ontving hij drie jaar later een diploma van de school. Niet veel mensen in Mythia hadden het geld om naar school te gaan. Er lag een hele nieuwe wereld voor hem open. De jaren daarop werkte hij als leraar bij de school en werd geroemd door heel Mythia als één van de beste in zijn vak. De oude koning maakte plaats voor zijn zoon en de nieuwe koning ging op zoek naar een raadsman. Als hoogleraar aan de school was hij de meest geschikte man en zo kwam het dat dertig jaar nadat de oude koning zijn vader ter dood had veroordeeld, de jongen zijn intrek nam in het paleis van de koning. Hij werkte hard, deelde zijn kennis met de koning en werd al snel de op één na belangrijkste man van Mythia.

“Wij weten niet wat we zonder jou moesten doen,” sprak de koning vaak tegen hem.

Hij hield de schijn op. Diep in zijn hart haatte hij de koning, haatte hij het hele koningshuis. Alles wat hij in zijn leven gedaan had, had hij gedaan om op de positie te komen waar hij nu zat. Hij betreurde het dat hij de oude koning niet kon laten boeten, maar de zoon was goed genoeg. In de jaren dat hij aan de zijde van de koning stond, bereidde hij zijn wraak voor.

 

 

Hoofdstuk 45

 

Het blauwe licht verdween en de mensen op de marktplaats konden weer zien wat er om hen heen gebeurde. Boze kreten stegen op uit de menigte. Palin lag op de grond met zijn handen voor zijn ogen. De confrontatie met zijn eigen verleden was hem te veel geworden. De koningin keek naar hem en liep terug naar haar dochter.

“Kom op,” riep een man, die vlak bij Palin stond, “we hangen hem op.”

Om hem heen werd instemmend geknikt. De raadsman werd hardhandig omhoog getrokken. Hij reageerde niet, was zelfs niet in staat te reageren.

“Nee!” klonk een stem vanaf het podium.

De mannen stopten en keken om. Bijna iedereen keek om. Een man in een wit gewaad stond achter David.

“Zacharias!”riep Istia en rende het podium op. Ze vloog Zacharias om de nek.

Zacharias omhelsde haar en duwde haar daarna zachtjes van zich af.

“Ik moet nog wat doen,” fluisterde hij tegen haar.

Zacharias liep naar de rand van het podium.

“Er wordt vandaag niemand opgehangen.”

“Maar hij heeft de koning vermoord en wilde hetzelfde met de koningin en de prinses doen!” riep de man, die Palin vasthield.

“Hebben jullie dan niets geleerd vandaag?” riep Zacharias, “iemand is niet alleen goed of slecht. Niemand van jullie kan zeggen, dat je niet hetzelfde gedaan zou hebben in zijn situatie. Naast liefde is er geen sterker gevoel dan haat. Een hart gevuld met haat is als een kruitvat zonder lont, je weet nooit wanneer het ontploft.”

Niemand zei iets.

“De koningin is hier. Zij is de leider van Mythia. Zij zal beslissen,” zei Zacharias.

Myra liep op Zacharias af en wenkte hem om mee te komen. Ze spraken een aantal minuten, waarna de koningin het podium opliep, wachtte tot de menigte stil was gevallen, en het woord nam.

“Inwoners van Mythia. De laatste jaren heb ik mijn taken als koningin verzaakt. Ik heb het land laten leiden door anderen. Op een bepaalde manier ben ik verantwoordelijk voor alles wat hier vandaag gebeurd is. Niet meer. Vanaf vandaag zal Mythia weer geleid worden door het koningshuis. Vanaf vandaag zal ik mijn taken weer op mij nemen met als doel het koningshuis weer het aanzien te geven wat het had onder het bewind van mijn man. Raadsman Palin is slechts één van de mensen die slecht behandeld is door de oude koning. Koning Heros, mijn man, heeft geprobeerd iedereen deze wandaden te laten vergeten, ik zal hiermee doorgaan in de hoop ooit echt het vertrouwen van het volk van Mythia te verdienen.”

De menigte luisterde in stilte.

“Mijn nieuwe raadsman heeft mij zojuist verteld wat hij zou doen. Ik geloof dat hij een wijs man is en zal daarom zijn raad opvolgen. Ex-raadsman Palin zal onder de hoede van de nieuwe raadsman worden gesteld en worden verzorgd in Dorma. Wij zijn niet meer van plan geweld met geweld te bestrijden. Eén partij dient de eerste stap te doen, en in dit geval zijn wij dat. Zo ook voor de groep bannelingen.”

Myra draaide zich naar Karos, die de bui al zag hangen.

“Karos was het?” Vroeg Myra.

Karos knikte.

“Ondanks je schandalige gedrag in de laatste weken, kan ik begrijpen dat je verdwaasd was door de raadsman en zijn belofte op een terugkeer naar Mythia. Mijn regeertalenten zijn nooit goed geweest, die dingen liet ik altijd over aan mijn man, dus wordt dit mijn eerste officiële daad als koningin. Ik weet niet wat er in het verleden is gebeurd en ik wil het ook niet meer weten. De laatste jaren waren een gevolg van een foute beslissing en ik ga deze fout proberen te herstellen. Ik verleen alle bannelingen hierbij gratie.”

Een kortstondig gejuich klonk rond het podium, maar verstomde snel weer nadat de koningin zei: “maar op één voorwaarde. Gratie zal alleen verleend worden als Karos komt werken als sergeant van de wacht, zijn mannen worden wachters in Mythia.”

De mannen keken naar Karos, die bedenkelijk naar het gezicht van de koningin keek. Dit had hij nog niet eerder meegemaakt. Een vreemd gevoel overspoelde hem, het was trots. Er had nog nooit iemand vertrouwen genoeg in hem gehad om hem iets belangrijks toe te vertrouwen. Karos boog voor de koningin.

“Ik aanvaard de positie.”

Myra twijfelde ernstig over deze keuze, maar Zacharias had haar ervan overtuigd dat dit de beste oplossing was. De tijd zou het leren.

 

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |