Hoofdstuk 6

 

Sergeant Tores staarde door de tralies naar buiten. De geluiden van de nacht kwamen naar binnen zweven, of liever gezegd, de stilte van de nacht, op het getsjirp van een paar verdwaalde krekels en het geruis van de wind in de bomen na. Normaal zou hij al diep onder zeil zijn, maar hij kon de slaap niet vatten. De gedachten in zijn hoofd waren niet stil te krijgen. Waar was slapen ook voor nodig? Daar ging hij alleen maar van dromen en zelfs in zijn wildste dromen was hij nooit in een cel terechtgekomen. Er waren genoeg mensen door zijn toedoen in de cel beland, maar zelf in de cel, dat was iets heel anders.

Het gevangenisgebouw grensde aan het paleis. Het bestond uit één verdieping met vijftien cellen. Een cel was ongeveer twee bij twee meter. Een houten bed, zonder matras, maar met deken stond in een hoek. Een houten emmer, waar je je behoefte in kon doen stond in een andere hoek. Deze emmer werd iedere dag geleegd in de mesthoop bij de stallen door de ongelukkige wachter die toevallig die dag dienst had. Alle cellen hadden uitzicht op de tuin van het paleis. Of het nu zomer of winter was maakte niet uit, de tuin was altijd prachtig. Voor de gevangenen in de cellen was dit nog een extra straf: zoveel moois en geen manier om erbij te komen. Rondom de tuin was een grote stenen muur opgetrokken. Achter de muur lag het dorp Dorma, waar mensen hun dagelijkse dingen deden. Overdag kon je de spelende kinderen horen lachen achter de muur.

Tores liep terug naar het houten bed en ging zitten, er was niet veel anders te doen. Als de koningin hem zou veroordelen voor zijn falen zou hij zeer waarschijnlijk verbannen worden naar het Woeste Land achter de bergen van Mythia. Hij had het Woeste Land nog nooit gezien, maar in een bar in Dorma had hij wel een keer gesproken met een man die door het Woeste Land was gereisd.

“Overdag is het er zo warm, dat je je nauwelijks meer kan bewegen,” had deze man verteld, “maar ’s nachts, als de zon wegtrekt, dan wordt het koud. IJzig koud. Er groeit niets. Alleen maar zand zover je kan zien en soms, als de zon op zijn hoogste punt staat, zie je de vreemdste dingen. Bomen met lange wuivende bladeren. Grote meren in de verte, waar je nooit bijkomt, hoe lang je ook loopt. Rare dieren met bulten op hun rug. En als je niet gek wordt van al die beelden, moet je nog uitkijken dat je niet beroofd wordt. Het Woeste Land zit bomvol dieven en rovers. Wanneer je erdoorheen trekt heb je geluk als je er levend uitkomt. Nee, het is geen plek waar ik nog een keer heenga.”

Tores had geïnteresseerd zitten luisteren en besloten dat hij het Woeste Land inderdaad ook niet zo nodig hoefde te zien, maar nu ging het er misschien toch van komen. Sinds Palin raadsman van de koningin was geworden waren de cellen leeg. Niet dat er minder dieven of ander tuig waren. De criminelen werden na veroordeling meteen verbannen naar het Woeste Land. Tot op de dag van vandaag was er nog geen één teruggekeerd. Sergeant Tores liet zijn kin op zijn handen rusten. Zijn borstplaat en zwaard waren hem afgenomen. Alles wat hem dierbaar was, in één klap weg. Hij dacht aan zijn vader.

Als enige zoon van een wachter was de loopbaan van Tores al bepaald voor hij zijn eerste woordjes zei, maar dat was geen probleem geweest. Zijn vader was wachter in Loura. Naast Dorma waar het paleis zat, het grootste dorp van Mythia en de laatste stop voor je de bergen in ging richting het Woeste Land. Het leven in de wacht was niet saai, het salaris was aardig, de mensen waren vriendelijk tegen je en af en toe had je de mogelijkheid om iemand van dienst te zijn. Hij leerde alles van zijn vader en als de dienst erop zat gingen ze vaak samen naar een kroeg in Loura, waar ze uren praatten over de belevenissen van de dag.

Tores ging liggen op het houten bed en sloot zijn ogen. Hij probeerde te denken aan alle leuke dingen die hij met zijn vader had beleefd, maar zijn gedachten gingen onherroepelijk naar die fatale avond.

Het was een drukke avond. Tores stond aan de bar te wachten op de twee pullen bier die hij besteld had. Ergens in een hoek van de bar waren verhitte gesprekken gaande. Het klonk alsof er ieder moment ruzie kon ontstaan. Ruzie was niet ongewoon in de bar. Stop veel dronken mannen bij elkaar in een kleine ruimte en het was een kwestie van tijd voor er een discussie ontstond over de meest simpele dingen. De discussies mondden meestal uit in wat heen en weer gescheld, en wat geduw en getrek over en weer, totdat vrienden de twee kemphanen uit elkaar haalden om het feest in twee verschillende hoeken van de bar voort te zetten. Wachters kwamen er bijna nooit aan te pas. Deze ruzie trok wel zijn aandacht. Het klonk niet als een normale ruzie. De woorden waren harder. De toon in de stemmen gevaarlijk. Tores draaide zich om. Zijn vader bleek niet meer aan het tafeltje te zitten waar hij hem had achtergelaten. Hij liet zijn ogen door de ruimte en zag hem tussen de mensen door lopen, richting de hoek waar de mannen ruzie aan het maken waren. Tores aarzelde geen moment. Zijn vader was eerder bij de mannen dan hij en probeerde ze te kalmeren. Er was geen redden aan. De emoties waren al te hoog opgelopen. Eén van de mannen trok een mes en haalde uit naar de ander. Zijn vader sprong tussenbeide. Hij had het mes niet eens gezien. Tores duwde het laatste groepje dat tussen hem en zijn vader stond ruw uit de weg. Hij zag nog net hoe zijn vader aan zijn buik voelde, hoe zijn bebloede hand omhoog kwam, de verbaasde blik in zijn ogen. Met een kreun zakte zijn vader door zijn benen. Tores ving hem op, legde hem voorzichtig op de vloer en ging op zijn knieën naast hem zitten. Op het vest van zijn vader spreidde een grote rode vlek zich uit. De man die zijn vader met het mes had gestoken stond naast hem. De woede in zijn gezicht was weg. Het mes hing vergeten in zijn hand.

“Dit was niet mijn bedoeling,” herhaalde hij keer op keer.

Tores hoorde het maar half. De wereld om hem heen was niet meer belangrijk.

“Roep een dokter,” schreeuwde hij, “laat iemand een dokter roepen!”

Zijn vader greep hem bij zijn jas. Hij grimaste van de pijn. “Het is te laat,” fluisterde hij.

Tores schudde zijn hoofd, “het is niet te laat. Niet praten. De dokter komt zo.”

Zijn vader keek hem aan en glimlachte. Met een hand streek hij over zijn gezicht, “ik ben zo trots op je. Ik had geen betere zoon kunnen krijgen.”

Tores nam zijn vader in zijn armen en wiegde hem zachtjes heen en weer. Tranen stroomden over zijn wangen.

De dokter kwam te laat. Zijn vader stierf in zijn armen. Het had hem op een harde manier duidelijk gemaakt dat je als wachter niet onkwetsbaar bent. Hij nam de les met zich mee naar Dorma, waar hij een baan kreeg bij de koninklijke wacht en leerde hem aan zijn mannen. Tores mistte zijn vader vreselijk, en vroeg zich altijd af hoe zijn vader het gevonden zou hebben dat zijn zoon sergeant was bij de koninklijke wacht. Maar nu zat hij in een cel. Tores was bijna blij dat zijn vader niet meer leefde. Hoe kon zijn vader nog trots op hem zijn? Zijn zoon in een cel. Hij zou de schaamte niet te boven zijn gekomen.

 

 

Hoofdstuk 7

 

Zelfs in zijn slaap voelde hij dat er iets niet helemaal klopte. Hij hoorde het geluid van tjilpende vogels, het geritsel van bladeren in de wind. Hij voelde de wind zelfs. David opende zijn ogen en staarde naar de strakblauwe hemel boven hem. Zijn rug en benen voelden nat en koud aan. Gedesoriënteerd ging hij overeind zitten. Dit was niet zijn slaapkamer, maar een open plek in een bos.

“Ik droom nog,” dacht hij en wreef een paar keer flink in zijn ogen. Er veranderde niets. Het getjilp hield niet op. De bomen gingen niet weg. Hij werd niet plots wakker in zijn slaapkamer. De dauw op het gras schitterde in het ochtendlicht. Zijn oog viel op iets wat zeker niet in een bos thuishoorde. Een paar meter verderop stond de stoel uit zijn slaapkamer met daarop de kleding die hij die dag naar school zou dragen. Onder de stoel stonden zelfs zijn gympen. Erg warm was het niet. David was er nog niet van overtuigd dat het geen droom was, maar droom of niet, hij had het liever warm dan koud. Nadat hij zich had aangekleed keek hij eens goed om zich heen. Hij vond een pad dat tussen de bomen door kronkelde, weg van de open plek. David liep naar het begin van het pad en tikte tegen een van de bomen. Het leek allemaal echt genoeg. Hij draaide zich om en keek of er nog andere paden waren, hij zag er geen. Twijfelend bleef hij aan het begin van het pad staan. Het was natuurlijk een droom. Het moest een droom zijn. Welke andere verklaring was er? Maar onzekerheid knaagde aan hem. Het leek allemaal zo echt. Wat als hij niet droomde? Als hij niet droomde, was het dan wel verstandig om het pad te volgen? Hij wist niet waar hij was. Hoe hij er gekomen was. Wie weet wat voor gekken hij tegen zou kunnen komen? Maar ja, hij kon toch moeilijk hier blijven? David nam een besluit en stapte het pad op.

 

Prinses Istia van Mythia staarde door het raam naar buiten. De zon scheen uitnodigend de grote zaal van het paleis binnen. Ze hoorde vogels zingen. In haar gedachten liep ze door de paleistuin, genoot ze van het warme weer, voelde ze de zon op haar huid, rook ze de geur van de duizenden bloemen en dartelden de vlindertjes om haar hoofd. Een harde stem deed haar opschrikken uit haar dagdroom. Het gezicht van haar lerares stond op onweer.

“Istia! Waar zit je met je gedachten kind? Als je wilt dat ik je les blijf geven zul je toch echt beter moeten gaan opletten.”

“Maar ik wil niet binnen zitten,” zei Istia mokkend, “ik wil naar buiten. Het is prachtig weer!”

“Je kunt niet altijd alles hebben wat je wilt,” zei haar lerares, “hoe sneller je dat leert hoe beter het is. Dat voorkomt een hoop teleurstellingen. Je weet toch dat je als dochter van de koningin boven het normale volk staat, en wanneer sta je boven het normale volk?”

“Door kennis mevrouw,” antwoordde Istia plichtsgetrouw.

Istia was niet erg gesteld op haar lerares. Greta maakte er een gewoonte van altijd zwart te dragen. Haar zwarte haar zat in een knot achter op haar hoofd. Haar gezicht was bleek, alsof ze nog nooit in de zon was geweest en haar stem was zo kil dat Istia, zelfs op een warme dag, kippenvel kreeg als ze hem hoorde. Istia was zelf heel anders. Ze hield van kleuren. Haar gezicht was niet bleek, maar had een warme gloed van alle uren die ze in de zon doorbracht. Haar stralende blauwe ogen en blonde haar werden hierdoor nog meer geaccentueerd. Zwarte kleding zou ze nooit dragen. Veel te somber. Veel te lelijk. Mooie kleuren, dat wilde ze. Vandaag had ze haar roze jurk aan. De kleur deed haar denken aan de rozen die helemaal achter in de tuin stonden. Istia hield van de natuur en bracht bijna ieder vrij uurtje door in de tuin om het paleis. Niet dat er veel anders te doen was. Ze mocht niet zonder begeleiding van een wachter buiten de muren van het paleis komen en in het paleis zelf was het saai. Alleen maar mensen die druk bezig waren met hun werk. Soms droomde ze dat ze buiten het paleis in de bossen liep. Eekhoorntjes voeren -in de paleistuin kwamen nooit eekhoorntjes- of gewoon bosbessen plukken. De enige bosbessen die ze in het paleis tegenkwam waren al geplukt en gewassen en zaten in een potje. Maar de bossen waren verboden terrein voor een prinses. Want wandelen in het bos, dat was niet netjes. Er waren regels voor prinsessen. Een hele hoop regels die vertelden wat ze allemaal niet mocht en maar een paar die vertelden wat ze wel mocht. Af en toe voelde ze zich een gevangene in het paleis. Zeker als ze les had van Greta.

“Dus nog één keer. Welke raadsman voerde de wet in waarmee het mogelijk werd in Mythia je eigen land te bezitten?”

Istia dacht diep na, “raadsman Gregorius?”

“Nee, nee, nee! Wat zal je moeder ervan zeggen als je na al mijn lessen nog niet eens weet dat raadsman Herminus die wet bedacht!”

“Herminus, Gregorius, wat maakt het uit?” dacht Istia.

De deur van de zaal vloog open en raadsman Palin kwam binnen lopen. Greta schrok op, maar veranderde snel haar houding.

“Raadsman Palin,” zei ze, en glimlachte naar hem, terwijl ze met een hand haar knotje wat rechter duwde.

Greta streek haar zwarte jurk glad en liep op Palin af. Ze lachte nooit, behalve als Palin binnenkwam. Istia had wel een vermoeden waarom. Greta vond de raadsman erg leuk.

“Wat ziet u er weer mannelijk uit vandaag,” sprak Greta, en deed een poging tot een mysterieuze, verleidelijke blik.

Istia moest moeite doen om niet de in de lach te schieten. Palin moest wel blind en doof zijn om niet te begrijpen dat Greta hem leuk vond, maar hij deed altijd alsof ze de meest onbelangrijke persoon in de wereld was. Het leek Greta niet uit te maken. Zij ging onverstoorbaar door met haar avances.

“Is de koningin er?” vroeg de raadsman zonder Greta aan te kijken.

“Ja heer.”

“Mooi,” Palin liep zonder verder iets te zeggen naar de deur van de zaal waar de koningin overdag te vinden was en klopte.

“Binnen!”

Palin opende de deur, stapte naar binnen en sloot de deur achter zich. Een paar minuten later kwam hij weer naar buiten, gevolgd door de koningin.

“Wij moeten praten Greta,” zei de koningin, en tegen Istia, “ga jij maar buiten spelen.”

Dat liet Istia zich geen twee keer zeggen en even later genoot ze van de zon in de tuin.

 

 

Hoofdstuk 8

 

Hoe lang liep hij al? Hij wist het niet. De zon stond in ieder geval een stuk hoger in de hemel. David was er al van overtuigd dat het allemaal geen droom was. Zeker nadat hij zijn vinger aan een doorn had opengehaald. Dromen waren niet zo lang, niet zo realistisch en het kleine sneetje in zijn vinger stak behoorlijk. Langs het pad was hij eerder een paar braamstruiken tegengekomen en zijn maag had gegromd bij het zien van de vruchten. Hij had er een paar geplukt en voorzichtig geproefd. De bramen waren net zo zoet als ze eruit zagen. Bij het plukken had hij alleen een stevige doorn over het hoofd gezien.

Het pad was al veel breder dan bij de open plek. Hij hoopte dat hij in de goede richting liep, als je tenminste kon spreken van een goede richting, of dat hij snel iemand zou tegenkomen die hem kon vertellen waar hij was. Zijn benen begonnen moe te worden. Hij liep nog wat verder tot hij bij een boomstronk kwam die langs het pad lag en ging zitten. Dit was wel het vreemdste wat hij ooit had meegemaakt. Waar was hij? Hij kende de stad waar hij woonde goed en daar waren helemaal niet zoveel bossen, laat staan bossen waar je uren in rond kon lopen zonder iemand tegen te komen. Misschien was het een geintje van iemand, maar hoe konden ze hem dan zo ver van huis hebben gedropt? En wie zou zo’n geintje met hem uit willen halen? Zijn ouders? Niet erg waarschijnlijk. De pestkoppen van school? Hij zou niet weten hoe die in zijn huis zouden moeten komen. En dan was er nog het probleem dat hij niet wakker was geworden gedurende de rit naar het bos. Heel vreemd allemaal.

 

Een zacht gegiechel deed David opschrikken uit zijn gedachten. Hij draaide zich om. Het geluid was uit de struik achter hem gekomen, dat wist hij zeker.

“Is daar iemand?” vroeg hij aarzelend.

Geen reactie. Voorzichtig leunde hij voorover en opende de bladeren van de struik met zijn handen. David kneep zijn ogen samen. Zag hij nou beweging in het donker tussen de bladeren? Hij leunde nog iets dichterbij en meteen schoot iets kleins uit de struik rakelings langs zijn gezicht. Met een gil viel hij achterover van de boomstronk op het pad. Hij had niet gezien wat het precies was, maar het leek het meest op een insect, maar dan wel een hele grote. Weer hoorde hij gegiechel, nu boven zijn hoofd. David keek omhoog. Door de felle zon zag hij alleen maar een klein zwart silhouet afgetekend tegen de felblauwe hemel. Het leek op een libel. Hij hield zijn hand voor zijn ogen en keek door het spleetje tussen zijn vingers. Zijn mond viel open.

 

Istia snoof de heerlijke buitenlucht op. De zon was heerlijk warm en de tuin net zo mooi als in haar dagdroom eerder in de les. Het was alleen jammer dat ze zonder Zacharias in de tuin liep. Greta was pas een aantal weken haar lerares. Daarvoor had ze les gehad van Zacharias, totdat hij in de gevangenis werd gestopt. Istia was gek op Zacharias en kon niet begrijpen dat hij beschuldigd werd van iets waarvan ze zeker wist dat hij het niet gedaan kon hebben. Gesprekken met haar moeder leverden weinig op.

“Dat is een zaak voor volwassenen, Istia,” zei haar moeder als ze ernaar vroeg.

Zacharias was een veel betere leraar dan Greta. Hij kon geweldige verhalen vertellen en de lessen waren altijd leuk. Als de zon scheen, wilde hij nog wel eens ophouden met de lessen en samen met haar de tuin ingaan.

“Kijk,” had hij gezegd op één van hun wandelingen, terwijl ze stopten bij een grote struik met grote roze bloemen, “niet alleen in een klaslokaal kan je iets leren.”.

Istia had eerst niets anders gezien dan de groene bladeren en de roze bloemen, maar hoe langer ze keek, hoe meer ze zag. Honderden bijen vlogen af en aan. Kleine vlindertjes dartelden in en om de struik op zoek naar nectar. Hommels bromden dik en zwaar door de lucht.

Zacharias een gevaar? Echt niet! Istia was vastberaden uit te vinden wat er precies gebeurd was. Als ze met bewijs kon komen dat Zacharias niets had gedaan, liet haar moeder hem misschien wel vrij.

“Istia!” Greta riep haar vanaf de ingang naar het paleis en Istia haastte zich terug. Greta nam haar, zonder een woord te zeggen mee naar de kamer van haar moeder. Haar moeder stond nog druk te praten met Palin. Ze had een angstige blik in haar ogen.

“Wat is er moeder?” vroeg Istia.

“We moeten weg, ik leg je onderweg wel uit waarom.”

“Waar gaan we heen?”

“Dat zie je wel als we daar aankomen.”

“Maar...”

“Istia! Ik heb nu geen tijd om te praten. Ga met Greta naar je kamer!”

Istia wist wel beter dan tegen haar moeder in te gaan als ze boos was en liep achter Greta aan de kamer uit. In haar eigen kamer lag een bundeltje kleding op bed.

Greta wees naar de kleding op het bed, “trek dat aan.”

“Dat is niet wat ik normaal draag, dat is ordinaire kleding,” zei Istia verbaasd.

“Je moeder wil dat je het aantrekt,” zei Greta op een toon die aangaf dat verdere discussie niet mogelijk was.

Terwijl ze zich omkleedde, zocht Greta wat extra kleding bij elkaar en stopte alles in een houten koffer, van binnen bekleed met groen fluweel, zodat de kleding niet beschadigd werd. Totale onzin, vond Istia, de kleding die in de koffer ging kon er onmogelijk nog slechter uitzien.

Een half uur later stond Istia in de grote hal. Haar moeder had zich ook omgekleed en aan niets was meer te zien dat het hier ging om een koningin en haar dochter.

“Is de koets klaar?” vroeg haar moeder aan Palin.

“Alles is gereed.”

Istia werd naar buiten geleid. De koets waar haar moeder naar had gevraagd stond voor de poort. De paarden ingespannen. Het was niet de koninklijke koets die ze altijd gebruikten als ze Mythia ingingen, maar een gewone koets, die voor het vervoeren van wachters naar de verschillende delen van Mythia werd gebruikt. Istia keek verbaasd naar haar moeder, die echter allerminst verbaasd keek en zelfs tevreden leek met het gewone uiterlijk. De koetsier opende de deur van de koets. De binnenkant was nog een reden voor verbazing. Niet de kale houten banken van een wachterskoets, maar zachte banken, met grote roodfluwelen kussens, die een aangename rit beloofden. Deze koets was duidelijk gemaakt voor comfortabele onopvallende tocht. Vakkundig en snel werden de koffers op de koets geladen terwijl Istia en haar moeder plaats namen. Nog geen minuut later gingen ze op weg. Istia keek door het raampje achterin tot het paleis uit zicht was verdwenen en vroeg zich af wat er allemaal aan de hand was.

 

“Wat een rare kleren heb jij aan.”

David staarde vol verbazing naar het giechelende wezentje dat voor hem zweefde. Een meisje met vleugels, net iets groter dan zijn hand, staarde terug. Haar lichaam was bedekt met een blad, om haar middel vastgeknoopt met een grasspriet. Haar benen bungelden in de lucht onder haar bladerjurkje. Kleine puntoortjes zaten aan weerszijden van haar gezicht. Haar bruine haar wapperde heen en weer door de beweging van haar vleugels. Grote blauwe ogen namen David op.

“Wat ben jij?” stamelde David.

“Wat ben jij?” herhaalde het elfje verbaasd, “zie je dat niet dan?”

De wenkbrauwen van het elfje gingen minachtend omhoog, alsof David de domste vraag ooit had gesteld, “ik ben Laika, van het volk Nypha. Wij wonen in dit bos. En jij?”

“Uuuhh. Ik ben David.”

“En waarom loop je hier?” Laika maakte een salto in de lucht.

“Als ik dat wist,” David veegde het haar uit zijn gezicht.

“Hi hi, hij weet niet eens waarom hij hier loopt!” Laika draaide een paar keer om haar as in de lucht met haar armen gestrekt, alsof ze een ballerina was, en ging ervandoor.

“Wacht even!” riep David haar achterna.

De elf bleef stilhangen in de lucht hoog boven hem.

“Waar ben ik?” vroeg David.

“Je bent in Mythia.”

Mythia. Dat was de naam die de oude man tegen hem gezegd had. David haalde de ketting tevoorschijn. Hij was het ding helemaal vergeten. Mythia was dus geen wie, het was een wat. Wat is Mythia? Mythia is een land? Een wereld? Hij wist nog niet genoeg.

“Mythia?” riep hij naar het elfje, “Waar ligt dat?”

“Hier natuurlijk,” zei het elfje lachend en weg was ze.

David kwam overeind en veegde de modder van zijn broek. Hij was niet meer op aarde. Mythia was geen land op aarde. Op aarde leefden geen elven. De ketting moest er iets mee te maken hebben. Misschien had de ketting hem wel naar Mythia gebracht? Het pad volgen was ineens niet zo aantrekkelijk meer. Wie weet wat hier allemaal leefde? Aan de andere kant was de elf erg vriendelijk geweest. Zijn eerste ontmoeting met een bewoner van een vreemde wereld en hij leefde nog. Dat was op zich een goed teken, toch? Als hij het pad volgde kwam hij misschien andere bewoners tegen. Er moest toch iemand zijn die hem meer kon vertellen?

 

 

Hoofdstuk 9

 

Laika fladderde door de bossen op weg naar haar huis. Ze was al de hele dag buiten en het begon te schemeren. Het was tijd om naar huis te gaan, maar eerst moest ze nog even iemand opzoeken. Als enige dochter van de elvenkoning mocht ze eigenlijk helemaal niet alleen door de bossen vliegen. Ze voelde er alleen niets voor om altijd maar onder escorte het bos in te gaan. Haar zogenaamde lijfwachten waren dik en langzaam en ze genoot juist zo van het vliegen en dan vooral van snel vliegen. Tussen de takken van de bomen door, rakelings langs de struiken, zo hoorde het! Niet van dat langzame gedoe. Nee, dan was het beter om alleen te gaan. Hoewel ze in het bos natuurlijk nooit helemaal alleen was. Een oude boom doemde voor haar op. Ze minderde vaart, maakte een scherpe knik en vloog langs de stam omhoog. Met flapperende vleugels bleef ze stil hangen voor de slapende figuur die op de hoogste tak van de boom zat.

“Oeroe,” sprak ze zachtjes.

“Hmmmm?” De uil mompelde wat onverstaanbaars, duwde zijn kop iets verder in zijn vleugels, en sliep verder.

“Oeroe!” riep ze. Dit keer een stuk harder.

“Hè? Wat?”de uil, zo ruw gestoord in zijn slaap, keek verdwaasd om zich heen. Zijn ogen vonden Laika, “oh ben jij het. Je weet toch dat ik overdag slaap Laika. Ik heb al mijn kracht nodig om ‘s nachts te kunnen jagen.”

Oeroe strekte zijn vleugels en rekte zich uit.

“Ja ja, opa. Ik kwam alleen maar even kijken hoe het met je gaat,” Laika’s grijns liep bijna van oor tot oor.

“Prima, totdat jij me wakker maakte,” mopperde Oeroe, maar zijn mopperen was alleen maar schijn. Oeroe was gek op Laika en hij was altijd blij om haar te zien.

“En wat heb jij vandaag gedaan?” Oeroe geeuwde een paar keer en schudde met zijn kop.

“Ik heb met een mensenkind gesproken,” zei Laika serieus.

“Oh jee. Je weet toch hoe je vader over contact met mensen denkt? Hij is al niet zo blij dat je er vaak alleen op uit gaat.”

“Dat weet ik, maar dit mensenkind was anders. Heel anders. Helemaal niet zoals de andere mensenkinderen in Mythia.”

“Oh?”

“Hij wist niet eens dat hij in Mythia was. Heel vreemd allemaal.”

“Had hij geen blauwe plek op zijn hoofd?” vroeg Oeroe, “als mensen een klap op hun hoofd krijgen willen ze nog wel eens dingen vergeten.”

Laika schudde haar hoofd, “nee, geen blauwe plek op zijn hoofd, wel een hele mooie ketting om zijn nek.”

Oeroe’s wenkbrauwveren gingen omhoog, “wat voor ketting?”

“Een ronde munt met een kasteel op één kant. De andere kant kon ik niet zien.”

“Het zou toch niet…?” mompelde Oeroe, “Laika, denk eens na, wat kan je nog meer herinneren van de ketting?”

Laika dacht diep na. “Onder het kasteel stonden letters, maar ik kon ze niet lezen.”

“Laika, je moet naar je vader gaan en hem vertellen wat je mij zojuist verteld hebt.”

“Ben je gek? Dan krijg ik straf!”

Oeroe schudde zijn kop, “ik weet bijna zeker dat je vader je geen straf zal geven.”

 

Laika probeerde nog meer uit Oeroe te krijgen, maar de uil wilde niets meer zeggen. Ze moest het met haar vader bespreken. Hij zou haar meer kunnen vertellen. Nieuwsgierig door de vage woorden van Oeroe zei ze hem gedag en vertrok.

Oeroe keek haar na tot ze uit zicht was verdwenen en zakte daarna weg in overpeinzingen. Als Laika inderdaad bij de jongen de ketting had gezien was Mythia in gevaar. In groot gevaar.

Het elfendorp lag diep onder de grond verscholen. Laika dook naar beneden, schoot tussen een paar struiken door en volgde de gang die leidde naar het dorp. Een paar seconden later vloog ze de grote ruimte in. Welgeplaatste gaten in het plafond zorgden ervoor dat er overdag licht genoeg was in het enorme ondergrondse dorp. Niet dat het er ’s nachts donker was. De gloed die elven van zichzelf afgaven, verlichtte het dorp zwakjes nadat de zon was ondergegaan. Jaren graven hadden een open ruimte onder de grond opgeleverd, zo groot dat tien mensen er makkelijk in konden staan. Elven vlogen af en aan en deden hun dagelijkse dingen. Ze zwaaiden naar haar terwijl ze langs vloog. Laika glimlachte en zwaaide terug. Normaal zou ze even stoppen voor een praatje, maar niet vandaag. Oeroe was misschien oud, maar zeker niet dom en als hij haar vertelde om zo snel mogelijk met haar vader te gaan praten, deed ze dat. In de wanden van de enorme ruimte zaten naast en boven elkaar de gaten van alle verschillende elvenwoningen. Laika vloog helemaal naar het einde van de open ruimte en landde op het hoogste plateau.

Zoals ze had verwacht was haar vader inderdaad enorm boos. Laika schuifelde onrustig heen en weer onder de woedende blik van haar vader. De elvenkoning was groot. Zijn vleugels drie maal zo groot als die van haar. Laika was net klaar met vertellen over haar ontmoeting met het mensenkind.

“Waarom ben je altijd zo ongehoorzaam?” de stem van haar vader bulderde door de kamer, “je weet toch dat het buiten gevaarlijk is voor ons met al die mensen? Als die erachter komen waar het elvendorp is zullen ze niet rusten voordat ze ons allemaal gevangen hebben. Die idioten denken nog steeds dat we wensen kunnen vervullen!”

“Maar vader...”

“Niets, maar vader! Ga naar je kamer en wee je gebeente als je er voor morgen uit komt!”

Laika draaide zich om, ze was niet meer van plan om haar vader over de ketting te vertellen, maar voordat ze de kamer uit was bedacht ze zich.

“Vader, de jongen had een ketting om zijn nek. Aan de ketting hing een munt met een kasteel erop en onleesbare letters eronder,” ze bereidde zich voor op de volgende tirade, maar die kwam niet.

Ze draaide zich naar haar vader. Met grote ogen en open mond staarde hij naar haar.

“De ketting? Maar hoe?” sprak hij zachtjes.

Haar vader begon zachtjes mompelend met zijn handen op de rug door de kamer te ijsberen. Af en toe keek hij naar Laika, schudde dan zijn hoofd en ijsbeerde weer verder. Zo had ze haar vader nog nooit gezien.

“Vader, wat is er aan de hand?”

Haar vader zuchtte diep, “Laika, als ik me niet vergis is de ketting die je zag van een oude vriend van mij.”

“Een elf?” zei Laika, “die ketting is toch veel te groot voor een elf?”

“Een ander soort vriend Laika. Een mensenvriend.”

Laika kon haar puntoren niet geloven. Haar vader had een mensenvriend? Haar vader, die een grondige hekel aan mensen had en iedere gelegenheid aan greep om dat aan iedereen die het maar wilde horen te vertellen?

“Ik weet wat je denkt Laika, maar deze vriend is geen gewoon mens en als de jongen de ketting heeft, moet ik ervan uitgaan dat er iets met hem is gebeurd. Jaren geleden heb ik hem beloofd dat als hij ooit mijn hulp nodig had, ik hem zou helpen. Nu is de tijd daar en ik ben te oud om nog iets nuttigs te doen.”

“Kunnen de wachters niets doen?” vroeg Laika.

Haar vader schudde zijn hoofd, “het is mijn belofte aan een mens. Ik kan niemand anders vragen om zijn leven op het spel te zetten voor een belofte die ik gedaan heb.”

“En ik, vader, kan ik niets doen?”

Haar vader zuchtte diep, “helaas wel.”

“Echt? Wat moet ik doen?” Laika voelde zich angstig en opgewonden tegelijkertijd.

“De jongen zoeken en kijken of je kunt ontdekken hoe hij aan de ketting is gekomen.”

“Natuurlijk kan ik dat!’ riep Laika, “maar mag ik vragen waarom de ketting zo belangrijk is vader?”

Laika’s vader aarzelde een moment. Wilde hij zijn enige dochter wel de gevaarlijke buitenwereld insturen? Had hij een keus?

“Ga maar even zitten.”

Laika nam plaats tegenover de troon op de grond, trok haar benen onder haar en luisterde naar het verhaal van haar vader.

 

 

Hoofdstuk 10

 

De zon ging langzaam onder. David, die de hele dag nog niets gegeten had, voelde een knagende honger in zijn maag. Hij stond bij een splitsing in de weg en had geen idee welke kant hij op moest. Vermoeid van al het lopen ging hij langs de kant zitten. Het was al erg genoeg dat in een vreemde wereld terecht was gekomen, maar als hij niet snel iets te eten zou krijgen ging hij van zijn stokje. Zijn gevoel van wanhoop begon langzaam maar zeker te groeien. Zonder dat hij het merkte trilde de ketting om zijn nek heel even. De wind draaide en voerde op haar golven een heerlijke geur mee. Een geur die het water in zijn mond deed lopen. De geur van versgebakken brood. David volgde zijn neus tot hij bij een klein boerderijtje kwam. In het wegtrekkende licht kon hij nog net zien dat het houten huis in midden van het grote grasveld leek op de huisjes in de oude wild west films die hij wel eens op tv voorbij zag komen. Zo’n huis met een overdekte houten veranda en houten raamlijsten die de raampjes in vieren deelden. Achter het huis was een grote stal. De grote deuren van de stal stonden op een kier. Een houten hek, dat wel een opknapbeurt kon gebruiken, was om het grasveld geplaatst. David klom eroverheen, even kijken kon toch geen kwaad, en liep over het grasveld richting het huis. Koeien, die rustig stonden te grazen binnen het hek, keken hem nieuwsgierig na. Hoe dichter hij bij het huisje kwam, hoe sterker de geur van versgebakken brood en zijn maag gromde van de honger. Vastberaden liep hij de veranda op. Houten planken kraakten onder zijn voeten. Voor de deur bleef hij staan, wilde aankloppen en liet zijn hand weer zakken. Verdwaasd door de geur van het brood was hij tot de voordeur gekomen, maar zijn verstand nam het weer over van de honger in zijn maag. Zou hij wel aankloppen? Hij was nog geen mens tegengekomen. Alleen Laika de elf had hij gezien. Wie weet wat er in dit huis woonde? Beelden uit oude sprookjesverhalen van pratende geiten en slapende beren trokken aan hem voorbij. Hij wreef over zijn kin terwijl hij nadacht. Nee, pratende geiten zou hij niet tegenkomen. Het elfje was alleen verbaasd geweest over zijn kleding en niet over zijn uiterlijk. Dat betekende dat ze al eerder mensen had gezien. Maar er konden natuurlijk hele onaardige mensen wonen. Hij was wel in een vreemde wereld. Je kon niet weten wat ze hier met ongewenste gasten deden. David keek naar de deur en naar de raampjes die aan weerszijden van de deur zaten. Binnen in het huis brandde een vuur. Achter de raampjes flikkerde een warm licht. Hij kon natuurlijk eerst even door het raampje gluren. Het vuil op de ruiten en de duisternis in het huis zorgden ervoor dat hij, op het flikkeren van het vuur dat in het midden van de kamer brandde na, weinig kon zien. Zijn maag knorde weer. Dit was waarschijnlijk de enige plek waar hij een beetje eten zou kunnen krijgen, maar ja, was eten belangrijk genoeg om er gevaar voor te lopen?

“Zo dief! Hebben we je eindelijk!” klonk een stem triomfantelijk achter hem.

David gaf een schreeuw van de schrik en draaide zich om. Het eerste wat hij zag was de punt van de pijl die op hem gericht was. De pijl lag op een kruisboog. David keek langs de lengte van de pijl in het gezicht van een oudere man. De man, gekleed in een overall van jute en een paar bruinleren laarzen, staarde indringend terug en grijnsde. David zag dat hij een voortand miste. Op zijn hoofd had hij een soort leren cowboyhoed en zijn witte haar stak er aan beide kanten van zijn gezicht onderuit.

“Kwam hier weer om te stelen, hè, maar dit keer was ik er op voorbereid,” zei de man.

David staarde naar de dreigende scherpe punt van de pijl. Zijn mond voelde droog en hij zocht naar iets om te zeggen, maar hij kon alleen maar denken aan wat de pijl met hem zou doen als de man besloot de kruisboog te gebruiken. De honger in zijn maag was hij even volledig vergeten. De oude man liep langs hem heen terwijl hij de kruisboog op hem gericht hield en duwde de deur van het huis open. Met de kruisboog gebaarde hij dat David naar binnen moest gaan. Het huis bestond uit één kamer. In de linkerhoek stond een gietijzeren oven en de geur van vers brood was overweldigend. Een paar houten stoelen stonden in het midden van de kamer om een lage houten tafel. Een rafelig grijs kleed, dat waarschijnlijk ooit wit was geweest, lag onder de tafel en de stoelen. Aan de rechterkant van de kamer was een gordijn gespannen, door een opening in het gordijn kon David een bed zien staan. In de rechterhoek bij de deur was een open haard. Een stenen schoorsteen liep langs de muur omhoog door het dak. De open haard was uit, maar er lagen nog verkoolde resten in van ooit opgebrand hout. De oude man porde hem met de kruisboog in de rug en duwde hem naar het midden van de kamer. David voelde de punt van de pijl door zijn kleding heen in zijn rug prikken. Hij had nooit over het hek moeten klimmen. De man dacht dat hij een dief was. Wat zouden ze doen met dieven in Mythia? In sommige landen hakten ze je handen eraf. Hij kon natuurlijk proberen om weg te rennen, maar was hij sneller dan de pijl? Waarschijnlijk niet. Met kloppend hart en een brok in zijn keel bleef David staan en wachtte op wat er verder ging gebeuren.

 

 

Hoofdstuk

| 1-5 | 6-10 | 11-15 | 16-20 | 21-25 | 26-30 | 31-35 | 36-40| 41-45 | 46-50 |